vadsig
Uiterlijk
- vad·sig
- In de betekenis van ‘traag’ voor het eerst aangetroffen in 1599 [1]
- afgeleid van vod ?? met het achtervoegsel -ig [2]
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | vadsig | vadsiger | vadsigst |
| verbogen | vadsige | vadsigere | vadsigste |
| partitief | vadsigs | vadsigers | - |
vadsig
- (pejoratief) met weinig of geen fysieke energie
- Een vadsig lijf.
- Het woord vadsig staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "vadsig" herkend door:
| 89 % | van de Nederlanders; |
| 82 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ "vadsig" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ vadsig op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
vadsig
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -ig in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Pejoratief in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 89 %
- Prevalentie Vlaanderen 82 %
- Woorden in het West-Vlaams
- Bijvoeglijk naamwoord in het West-Vlaams
