sloffig
Uiterlijk
- slof·fig
- naamwoord van handeling sloffen met het achtervoegsel -ig [1]
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | sloffig | sloffiger | sloffigst |
| verbogen | sloffige | sloffigere | sloffigste |
| partitief | sloffigs | sloffigers | - |
sloffig [2]
- met weinig aandacht, kracht of energie
- De voorlaatste Lotusphere dag. De vermoeidheid begint bij de congresgangers meer en meer zichtbaar te worden: geeuwen, dikke blauwe wallen onder de ogen, wazige blikken, een sloffige stap… De laatste loodjes wegen duidelijk het zwaarst. [3]
- Het woord sloffig staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "sloffig" herkend door:
| 68 % | van de Nederlanders; |
| 75 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ sloffig op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ De Standaard 03/02/2011 om 09:19 door Tom Herbots X marks the spot
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
