close
Naar inhoud springen

oren

Uit WikiWoordenboek
  • oren
  • [zelfstandig naamwoord] oor met de uitgang -en
  • [werkwoord] herkomst: Jiddisj [1]

deorenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord oor
     Na een tijdje merkte ik duidelijk aan mijn oren dat we van zeeniveau naar duizend meter hoogte aan het klimmen waren.[2]
     De pareltjes aan Thea's oren wiegelen als ze zich opgetogen weer naar het verhaal op de planken richt.[3]
     Maar daar komt Becker, met zijn glimmende domineesgezicht en zijn uitstaande oren, zijn blik strak op haar gericht.[3]
aandachtig luisteren
 ' Niet zijn verwijzing naar haar dienstbaarheid maakt dat Thea haar oren spitst, maar de naam Londen: ze kijkt op naar Jacob alsof ze uit een droom ontwaakt.[3]
  • je oren niet geloven
niet kunnen voorstellen dat het gehoorde echt waar is
 Nella kan haar oren niet geloven.[3]
  • oren hebben naar
ergens wel mee kunnen instemmen
 Welke bruidsschat, welke spaartegoeden en giften heeft tante Nella in die ontvangkamer met groene muren moeten bieden om te zorgen dat Jacob van Loos wel oren heeft naar een verbintenis met de familie Brandt? Thea staat daar met haar handen nog steeds in die van haar tante, alsof ze op het punt staan om een dans in te zetten op deze marmeren tegels, die zoveel lichter zijn dan die bij hen thuis.[3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
oren
oorde
geoord
zwak -d volledig

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als werkwoord

oren

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) bidden
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]
  1. Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands
  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. 1 2 3 4 5
    Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586332
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


oren

  1. meervoud van oor


vervoeging van
orar

oren

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van orar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van orar


oren

  1. meervoud van oor