close
Naar inhoud springen

face

Uit WikiWoordenboek
enkelvoud meervoud
face faces

face

  1. gezicht
  2. wand
vervoeging
onbepaalde wijs to  face 
he/she/it  faces 
verleden tijd  faced 
voltooid
deelwoord
 faced 
onvoltooid
deelwoord
 facing 
gebiedende wijs  face 

face

  1. overgankelijk onder ogen zien
    «Let's face the facts.»
    Laten we de feiten onder ogen zien.
  2. overgankelijk kijken naar, tegenover zich zien



enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  face     la face     faces     les faces  

face v

  1. (anatomie): aangezicht, gelaat
  2. (numismatiek): beeldenaar, kop, beeldzijde


  • Afkomstig van het Latijnse facere.

face

  1. doen
  2. maken