close
Naar inhoud springen

Victorschrijn

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Victorschrijn
Het schrijn in 2020
Het schrijn in 2020
Jaar ca. 1125?
Ontstaanslocatie Nederrijn?
Huidige locatie Dom van Xanten
Stroming romaans
Materiaal eikenhouten kist bekleed met verguld zilver (blikzilver), email, edelstenen
Lengte 162 cm
Breedte 42 cm
Hoogte 62 cm
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur
Christendom

Het Victorschrijn (Duits: Viktorschrein) is een twaalfde-eeuws reliekschrijn dat in de Dom van Xanten wordt bewaard. In het schrijn werden in 1129 de vermeende stoffelijke resten van de heilige Victor van Xanten bijgezet. Het rijk versierde schrijn vormt het hart van een groot 16e-eeuws retabel in het koor van de domkerk. Het Victorschrijn is een van de oudste, grotere reliekschrijnen in West-Europa en is een voorbeeld van romaanse edelsmeedkunst.

Voorgeschiedenis: relieken van Sint-Victor

[bewerken | brontekst bewerken]
BERJAYA
Crypte in de Dom van Xanten

Nadat de Romeinse officier Victor, samen met enkele honderden soldaten van het Thebaanse Legioen, in 287 de martelaarsdood was gestorven in het Amfitheater van Birten nabij Xanten, werd zijn graf volgens de Legenda aurea een gedenkplaats. Omstreeks het jaar 590 schreef Gregorius van Tours in zijn Liber in gloria Martyrum over de uitbreiding van deze gedenkplaats tot een kapel door de bisschop van Keulen, Everigisil. De plaats waar die kapel stond werd door Gregorius aangeduid als "Bertuna" en kan mogelijk worden gelijkgesteld met het Xantense district Birten, waar archeologisch bewijs is gevonden voor de bouw van verschillende grafkapellen uit de 4e eeuw. Gregorius van Tours schrijft echter dat de kapel werd gebouwd ter ere van de heilige Mallosus, ook een martelaar van het Thebaanse Legioen, wiens stoffelijke resten zich eveneens in de buurt van "Bertuna" zouden bevinden. In Xanten waren die (nog) niet opgegraven. Volgens een andere interpretatie is "Bertuna" niet Xanten-Birten, maar het Franse Verdun, waar het martelaarschap van Mallosus waarschijnlijker lijkt vanwege de aanwezigheid van de lokale heilige, Sint Maur, ook een "Thebaan". Of Gregorius van Tours in zijn beschrijving naar Xanten verwijst, is daarom twijfelachtig.

In Xanten werden zowel Victor en Mallosus − die laatste was inmiddels ook opgegraven − vereerd. Een opgravingsschacht uit de 8e of 9e eeuw getuigt van een doelbewuste zoektocht naar het gebeente van deze twee heiligen. De plek wordt sinds 838 "ad sanctos" (bij de heiligen) genoemd. Die naam werd overgedragen op de nederzetting en ontwikkelde zich tot de huidige plaatsnaam Xanten. In 863 werd de kerk op het graf van Victor door de Vikingen geplunderd en in brand gestoken. Alleen een kist met de relieken van Victor bleef bewaard. Volgens een latere notitie in de Historia Xanctensis bevonden de relieken zich daarna in een sarcofaag onder een tumba (verhoogd graf) met een altaar en daarboven een baldakijn.

Totstandkoming van het schrijn

[bewerken | brontekst bewerken]

Wanneer het reliekschrijn van Sint-Victor tot stand is gekomen, is niet met zekerheid bekend. Meerdere bronnen geven aan dat de relieken van Victor in 1129 werden overgeplaatst in het nieuwe schrijn. Daarvan getuigt een bij die gelegenheid ingesloten oorkonde.[1] Mogelijk werd de decoratie van het schrijn pas in de daaropvolgende jaren voltooid (ca. 1130-1150), zoals de Duitse kunsthistoricus Dietrich Kötzsche in zijn monografie over het Victorschrijn stelde. Kötzsche zag stilistisch veel overeenkomsten met het Hadelinusschrijn in Visé, de Noodkist in Maastricht en het Heribertschrijn in Keulen-Deutz, die alle drie (deels) na 1150 tot stand kwamen.[2]

Over de maker van het schrijn of de plaats van ontstaan kan evenmin uitsluitsel gegeven worden. Volgens Otto von Falke was het schrijn een werkstuk van Eilbertus, de Keulse meestersmid die ook het schrijn van de Sint-Pantaleonkerk vervaardigde. Later moest Falke die theorie opgeven.[2]

BERJAYA
BERJAYA
Fragmenten van de oorkonde die in 1129 bij de relieken in het schrijn werd geplaatst

Informatie over de plaatsing van het schrijn op het hoogaltaar is te vinden in een geschrift van kanunnik Johan van Bemel (rond 1400) en in de Historia Xanctensis (ca. 1420). Laatstgenoemde bron vermeldt over Godfried de Kuecke (of Buecke), tussen 1128 en 1134 domproost van Xanten: "Hij liet het altaar uitbreiden en plaatste de hoofden van de heilige martelaren aan weerszijden van het gouden altaar op hun kleine, met goud beschilderde plaatsen. Bovendien maakte hij boven de gouden altaartafel en boven de hoofden van de gezegende martelaren, die op hun kleine plaatsen waren gerangschikt, een soort houder, waarin hij de kist van de gezegende Victor liet plaatsen en bewaren."[2] Waarschijnlijk was het schrijn van Victor zo opgesteld dat het ene uiteinde op het hoogaltaar rustte, terwijl het andere werd ondersteund door zuilen achter het altaar, vergelijkbaar met de gedocumenteerde opstelling van het Severinusschrijn in de gelijknamige kerk in Keulen. De Historia bericht verder over een gebeeldhouwd portret van proost Godfried, dat zich op of nabij het schrijn bevond.[3] Kötsche beschouwde deze Godfried als initiator van het schrijn. Zijn collega Renate Kroos meende dat een latere proost Godfried (ca. 1223-1238) verantwoordelijk was voor de beschreven altaardispositie, maar dat het schrijn toen waarschijnlijk al enige tijd bestond.[2]

Nadat de voornaamste relieken waren overgebracht naar het nieuwe schrijn bij het hoogaltaar, bleven kleinere botten en fragmenten van zijn kleding achter in het graf. Tijdens de bouw van het 13e-eeuwse koor werd zijn grotendeels lege graf aanvankelijk verplaatst naar het nieuwe koor. Ook de stoffelijke resten van Victors metgezellen, die men in 1264 meende te hebben ontdekt, werden erin geplaatst. Later werd het graf overgebracht naar de westvleugel, waar het zich tot op de dag van vandaag bevindt. Net als in andere plaatsen bleef het graf van de patroonheilige een belangrijke plaats van devotie.[4]

Het schrijn als middelpunt van devotie

[bewerken | brontekst bewerken]

De relieken van Victor en de andere Thebanen waren vanaf het midden van de 13e eeuw van grote betekenis voor het domkapittel, maar ook voor de burgers van de stad, die in 1229 stadsrechten en een zekere mate van autonomie van de aartsbisschop van Keulen hadden verkregen. Bedevaartgangers kwamen van heinde en verre om de relieken van de heilige te zien. Zowel de martelaar Victor als de vermeende stichteres van zijn kerk, de heilige Helena van Constantinopel, genoten verering. De bijzondere betekenis die Victor tot in de 16e eeuw voor de kanunniken van Sint-Victor had, blijkt uit het feit dat het schrijn altijd achter het hoogaltaar is blijven staan, dicht bij het koorgestoelte van de kapittelheren.[4] In tijden van nood (oorlogen, epidemieën, hongersnoden) werd het schrijn in processie door de stad gedragen, zogenaamde noodprocessies (zie ook: Noodkist), in Xanten "Viktortracht" (het dragen van Victor) genoemd.[5]

BERJAYA
Schema van het 16e-eeuwse hoogaltaar. B is het Victorschrijn

In 1263 besloten de kanunniken een nieuw gotisch koor te bouwen. In 1311 was het koor voldoende voltooid om het nieuwe hoogaltaar, met een breedte van drie meter, te wijden. De Historia Xanctensis schrijft het altaar en het bijbehorende gouden retabel toe aan de eerder genoemde, 13e-eeuwse proost Godfried. Centraal in het retabel bevond zich het schrijn van Sint-Victor. Het retabel kon worden afgesloten door middel van beschilderde vleugelpanelen. Tijdens bouwwerkzaamheden in het koor van Xanten in 1264 werden de overblijfselen van zeventien martelaren ontdekt. Hun beenderen werden overgebracht naar reliekschrijnen, hun schedels in reliekbustes. Waarschijnlijk kregen deze toen al een plaats op het hoogaltaar, een situatie die nog bestaat. Een deel van deze reliekhouders bevinden zich tegenwoordig in glazen vitrines boven de zijingangen van het koor en boven de koorbanken.[4]

Tussen 1529 en 1544 kwam een nieuw altaarretabel tot stand, van de hand van Bartholomeus Bruyn de Oude (ca. 1493–1555). De houtsnijder Henrick van Holt († 1545/46) reproduceerde bij die gelegenheid de bestaande reliekbustes in een meer eigentijdse stijl. Vanwege de breedte van het altaar steken de geopende vleugels van het retabel ver naar de zijkanten uit. Hoewel men onder de vleugels door kan lopen, sluiten ze het kanunnikenkoor, de ruimte achter het hoogaltaar, visueel af. Het Victorschrijn steekt vanaf de achterzijde van het retabel ver uit in deze ruimte, ondersteund door een constructie. Hier, in de nabijheid van de relieken van de patroonheilige, baden de kanunniken hun getijdengebeden. Het oudste liturgische handboek van de kerk (Liber albus, ca. 1258-1286) rekende Sint-Victorsdag (10 oktober) tot de hoogfeesten van het kapittel. Op deze dag, evenals tijdens de octaafviering, werden de legendes van het Thebaanse Legioen voorgelezen.[4]

Achteruitgang Victordevotie

[bewerken | brontekst bewerken]

Door de opkomst van nabijgelegen Mariabedevaartsoorden als Marienbaum (vanaf de 15e eeuw) en Kevelaer (vanaf de 17e eeuw) liep de populariteit van Xanten terug. Erkenning als officiële martelaarsplaats werd tweemaal door het Vaticaan geweigerd wegens gebrek aan bewijs.

In 1794 veroverden Franse revolutionaire troepen Xanten, dat vervolgens met de gehele linkeroever van de Rijn door Frankrijk werd geannexeerd. Het domkapittel werd geseculariseerd en de kapittelkerk werd een gewone parochiekerk. Daarmee kwam een einde aan de dagelijkse getijdengebeden bij het Victorschrijn.

BERJAYA
Inscriptie restauratie 1749

Al in 1749 moest het schrijn worden hersteld, nadat het tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog elders in veiligheid was gebracht. De restaurator maakte melding van deze ingreep door een nogal opzichtige inscriptie op de achtergevel van het schrijn: Ao · 1749 · 31 IULY R[est]O[r]ATUM. De Latijnse tekst is vrij klunzig aangebracht: de datum is onlogisch over twee regels verdeeld en voor de afkorting van RESTORATUM (gerestaureerd) werd gekozen voor ROATUM (verrot, bedorven).

Het schrijn werd van 1902 tot 1904 opnieuw gerestaureerd door de Düsseldorfse edelsmid Paul Beumers. Daarbij werd onder andere een van de reliëfs van de dwaze maagden vervangen, een reliëf dat bij een eerdere restauratie al eens was vernieuwd. Ook werd de volgorde van de reliëfs gewijzigd. Van de Johannesfiguur op de achtergevel werd een deel van de beschadigde hals en kin opnieuw gevormd.[6]

Beschrijving, iconografie

[bewerken | brontekst bewerken]
Het schrijn omstreeks 1920
BERJAYA
BERJAYA

Anno 2026 staat het schrijn als vanouds opgesteld achter het renaissance hoogaltaar in het koor van de Dom van Xanten. De kist is zodanig geplaatst dat de voorgevel zichtbaar is in een uitsparing in het altaarretabel. Het schrijn wordt geflankeerd door 16e-eeuwse, zilveren reliekbustes van Sint-Victor en Sint-Helena en omgeven door acht andere, grote reliekbustes en twee kleinere reliekhoofdjes.

Kunsthistorische beschrijving

[bewerken | brontekst bewerken]

Het Victorschrijn bestaat uit een eikenhouten kern die bedekt is met deels verguld zilveren (eigenlijk blikzilver) reliëfs, filigraanwerk, email en edelstenen. De kist is circa 162 cm lang, 42 cm breed en 62 cm hoog.[7] De vorm lijkt op een langwerpig bouwwerk met een zadeldak, een huis of een eenbeukige kerk, verwijzend naar het hemelhuis. Deze vorm is typerend voor die periode. De nok en de dakranden van de puntgevels zijn versierd met een gegoten kam (sierrand) met bergkristallen. De indeling van de zijgevels is volgens het zogenaamde Nederrijns-Keulse schema, waarvan het Victorschrijn het vroegst bewaard gebleven voorbeeld is. Het schrijn is een opmerkelijk voorbeeld van vroeg Rijnlands edelsmeedwerk uit de eerste helft van de 12e eeuw.

Voor- en achtergevel: kruis en Johannes

[bewerken | brontekst bewerken]

De korte gevels van het schrijn zijn versierd met afbeeldingen uitgevoerd in drijfwerk, waarbij de decoratie van de voorgevel, met onder andere email, edelstenen en bergkristallen, aanmerkelijk rijker is dan de achtergevel. Aan de voorzijde is binnen een groot ovaal een met edelstenen versierd kruis geplaatst, waarvan de uiteinden van de vier armen zich verbreden. Het is geenszins zeker of dit bij het oorspronkelijke schrijn behoorde.[8] Op de achtergevel is Johannes afgebeeld, de apostel die Jezus, volgens de Bijbel, het meest lief had.

Zijgevels: apostelen

[bewerken | brontekst bewerken]

De lange zijden van het schrijn zijn gedecoreerd met figuren van apostelen, uitgevoerd in verguld zilveren hoogreliëfs. De apostelen zijn gekleed in lange tunieken, waarover ze een pallium dragen. Van beide kledingstukken zijn de boorden versierd. Allen houden in hun linkerhand een boek vast, waarvan de omslagen verschillend zijn gedecoreerd.[9] De volgorde is, vanaf de voorgevel met de klok mee om het schrijn heen lopend: Simon, Tomas, Jakobus de Meerdere, Johannes (op de achtergevel), Bartolomeüs, Judas Taddeüs en Matteüs. Opvallend is dat vooraanstaande apostelen als Petrus en Paulus ontbreken.[noot 1]

Dakgevels: wijze en dwaze maagden

[bewerken | brontekst bewerken]

Op beide dakgevels zijn vijf grote medaillons aangebracht in de vorm van vierpassen. Daarin zijn reliëfs aangebracht met voorstellingen van de wijze en dwaze maagden, ontleend aan een gelijkenis van Jezus in het evangelie volgens Matteüs (Matteüs 25:1-13). Daarin wachten tien meisjes op een bruidegom (= Jezus), die op zich laat wachten. De wijze meisjes hebben extra olie voor de lamp meegenomen; de dwaze niet. Die laatsten missen daardoor het bruiloftsfeest, waarmee het Koninkrijk van God wordt bedoeld. De vijf wijze meisjes zijn op het schrijn aan de rechterzijde afgebeeld met opgeheven hoofd, volle oliekruik en brandende toorts; de dwaze meisjes op de linkerzijde met terneergeslagen ogen, lege kruik en uitgedoofde toorts. Op de onderrand van beide dakhelften staan Latijnse inscripties.[noot 2] De reliëfs doen denken aan de vergelijkbaar weergegeven − eveneens in medaillons − voorstellingen van het Laatste oordeel op de dakpanelen van de Noodkist in Maastricht: aan de ene zijde de uitverkorenen en aan de andere zijde de verdoemden.[11]

Inhoud schrijn

[bewerken | brontekst bewerken]

Het Victorschrijn bevat de vermeende relieken van Victor van Xanten. Deze bevinden zich in een kleinere houten kist, die in het schrijn is geplaatst. Sinds 1343 is het schrijn 27 keer geopend geweest, waarvan achttien oorkonden getuigenis afleggen. De laatste keer was op 10 oktober 2013, ter gelegenheid van het 750-jarig bestaan van de gotische dom. Besloten werd om de relieken van de heilige aan een nader onderzoek te onderwerpen. Enkele beenderen en antieke stoffen, zowel afkomstig uit het grote schrijn als uit enkele kleinere reliekhouders, werden in laboratoria in Groningen en Engeland onderzocht. Ontdekt werd dat de skeletresten van verschillende personen afkomstig waren. Een bekkenbot bleek van een vrouw te zijn en een bot uit het kleine Victorschrijn van een varken. De meeste beenderen behoorden toe aan een persoon die tussen 240 en 381 na Christus in de regio Noordwest-Duitsland leefde, tussen de 1,63 en 1,69 meter lang was, als jong persoon waarschijnlijk hersenvliesontsteking had gehad, en op circa 40-jarige leeftijd was overleden. Bij de textielanalyse bleek de zijden stof waarmee het schrijn is bekleed uit Sogdië te komen, het huidige Oezbekistan. Dergelijke stoffen bevinden zich ook in het Sancta Sanctorum, de bidkapel van de pausen in het Lateraans Paleis te Rome. Het weefpatroon van soldaten te paard is vermoedelijk gekozen om de authenticiteit van de relikwieën te benadrukken.[12]

BERJAYA
Zie de categorie Reliquary chest of Saint Victor van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.