Samuel Blommaert
| Samuel Blommaert | ||
|---|---|---|
Samuel Blommaert (1647) | ||
| Algemene informatie | ||
| Geboren | 1583 | |
| Overleden | 1654 | |
| Beroep | koopman, bewindhebber (WIC) | |
Samuel Blommaert[a] (Antwerpen, 11 (of 21) augustus 1583 – Amsterdam, 23 december 1651)[1] was een koopman, afkomstig uit een familie van goudsmeden en diamanthandelaren. Hij was overduidelijk geïnteresseerd in kostbare metalen, delfstoffen en mineralen. Blommaert was bewindhebber van de West-Indische Compagnie (WIC) van 1622 tot 1629 en opnieuw van 1636 tot 1642. Tijdens deze laatste periode was hij consul van Zweden in de Republiek en speelde een belangrijke maar dubieuze rol in de expeditie van Peter Minuit leidend tot het uitroepen van de kolonie Nieuw-Zweden. In 1645 werd hij voor de derde keer benoemd als bewindhebber van de WIC omdat hij een van de belangrijkste investeerders was.
Biografie
[bewerken | brontekst bewerken]Samuel werd geboren in Antwerpen. Hij was de zoon van Margaretha Hoefnagel en de invloedrijke koopman Lodewijk Blommaert (1537-1591),[2] die in 1581 schepen was en in 1583 kapitein van het Fort Lillo, gelegen op de oostelijke oever van de Schelde. Margaretha stierf toen Samuel nog klein was en zijn vader verhuisde met de kinderen[3] naar Londen, toen Antwerpen in 1585 werd bezet door de hertog van Parma. Lodewijk Blommaert hertrouwde daar, maar stierf in 1591. Samuel werd door zijn stiefmoeder in de leer gedaan in Stade, Den Haag[4] en Wenen, mogelijk bij zijn oom Joris Hoefnagel, een topografisch tekenaar aldaar.
Huisvesting en gezin
[bewerken | brontekst bewerken]Hij vestigde zich in Sint Anthoniesbreestraat, waar hij tussen diverse kunstenaars en Vlamingen woonde. Op 5 juni 1612 trouwde hij met Catharina Reynst, de dochter van Gerard Reynst, bij wie hij tussen 1613 en 1633 twaalf kinderen kreeg.[5][6]
In november 1620 kochten hij en Daniel Blommaert twee kavels op de Keizersgracht, gelegen achter Jacques Nicquet op de Herengracht.[7] Binnen een jaar stond daar een dubbelpand, nu Keizersgracht 137 en 139, met zicht op de in aanbouw zijnde Westerkerk. Blommaert woonde op een prominente plek naast Laurens Reael, voormalig gouverneur-generaal. Hij zou een van zijn beroemde andere "buren", professor Nicolaes Tulp, verhalen vertellen over bestialiteit die hij had gehoord op Borneo.[8] Tot zijn buren kunnen ook Frans en Jacob J. Hinlopen, Balthasar en Johannes Coymans, Louis de Geer en Hans van Loon worden gerekend.
Scheepvaart
[bewerken | brontekst bewerken]Borneo
[bewerken | brontekst bewerken]In 1602 verbleef hij langere tijd in Benin.[9][10][11][12] In 1603 meldde Samuel zich aan bij de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) en vertrok naar de Oost op een schip onder admiraal Steven van der Hagen. In de jaren 1605-1606 verbleef hij op Borneo. In 1607 werd hij door de gouverneur naar West-Kalimantan gezonden, om Hans Roeff te redden, die evenwel al was overleden toen Blommaert aankwam. Hij keerde terug naar het sultanaat Bantam met 633 diamanten.[13][14] In 1609/10 verbleef hij opnieuw op Sambas, Borneo. De koningin van het sultanaat Sambas weigerde evenwel met de VOC in zee te gaan. Ze gaf de voorkeur aan het principe van de hoogste bieder.
In september 1610 vertrok Blommaert plotseling naar Texel, eerder dan de termijn waartoe hij zich had verplicht en kwam in juni 1611 aan. Pieter Both kreeg opdracht de zaak te onderzoeken, maar blijkbaar kon Blommaert niets ten laste worden gelegd.
"Terra Australe"
[bewerken | brontekst bewerken]In 1614 was Blommaert betrokken bij een compagnie op Angola, onder andere met Frans Jacobsz. Hinlopen en Lucas van der Venne.[15][16] De schepen waren lang onderweg en kregen proviand mee voor een jaar. In 1615 vervoerde Jacob le Maire een brief die hij zou hebben moeten overhandigen aan Gouverneur-generaal Reynst, met een aanbod om buiten de VOC om goederen te vervoeren naar zijn schoonzoon Samuel Blommaert in Amsterdam.[17] Blijkbaar kregen de bewindhebbers lucht van de zaak, en Blommaert werd in Amsterdam ondervraagd door de Heren XVII op 30 januari 1616[17] over de bestemming van het schip, uitgezonden door de compagnie Mauritius de Nassau, dat onder het bevel van Jan Remmetsz., uit Purmerend was uitgevaren.[18] Het schip had zogenaamd Angola als bestemming, maar het had de opdracht van daaruit haar koers te verleggen naar "Terra Australe" (Terra Australis, 'onbekende Zuidland'), beter bekend als Vuurland (Tierra del Fuego). Het plan was om vanaf de westkust van Afrika naar het zuiden te zeilen totdat "Terra Australe" werd bereikt, om vervolgens langs de kust te varen tot de Straat Magellaan, en te proberen een opening te vinden met een doorgang naar de Zuidzee; als ze een dergelijke doorgang ontdekten moesten ze onverwijld terugkeren, maar als dat niet het geval was moesten ze doorvaren naar de Indische Archipel."[19]
Nederlandse Goudkust
[bewerken | brontekst bewerken]
In 1622 kwamen hij en anderen in conflict met de WIC over manschappen en goederen naar een niet nader genoemde bestemming onder het octrooi van de WIC. De WIC was in het voorafgaande jaar opgericht en het is niet duidelijk of Blommaert vanaf de oprichting als bewindhebber fungeerde. Blommaert vermeldde dat er voorheen wel acht compagnieën op Guinee voeren die elkaar beconcurreerden, met name in de aankoop van koper. In juli 1623 werden hij en Rombout Jacobs de vergadering uitgezet, als zijnde niet gerechtigd de stemming bij te wonen. Het hoe en waarom van de bijeenkomst in de Kloveniersdoelen is nog onduidelijk. Enkele maanden eerder was Jacques l'Hermite uitgevaren naar Zuid-Amerika, om het onderkoninkrijk Peru te veroveren; niet in opdracht van de WIC, maar van de Staten-Generaal en de VOC.[21] Een plan op 30 oktober behelsde eerst de aanval op het sterke Bahia, een beslissing waarbij de bewindhebbers Adriaen van der Goes uit Delft, Johannes de Laet uit Leiden, Albert C. Burgh, Kiliaen van Rensselaer, Gommer Spranger en Samuel Blommaert een rol speelden.[22] Blommaert bracht advies uit aan de WIC over Angola, Luanda en Pinda,[23] en liet aan het einde dat jaar tientallen soldaten vervoeren naar de Nederlandse Goudkust. De schepen en soldaten kunnen het koninkrijk Luango, aan de Kongostroom of ergens langs de kust van Afrika als bestemming hebben gehad, maar het is meer waarschijnlijk is dat het Nederlands-Brazilië is geweest, waar admiraal Jacob Willekens en vice-admiraal Piet Hein voet aan de grond moest proberen te krijgen.
Nieuw-Nederland
[bewerken | brontekst bewerken]De kooplieden hadden alle vrijheid in de kolonie en waren ook gemachtigd te onderhandelen met buitenlandse mogendheiden. Bevervellen uit de Nieuwe Wereld zouden het Russische monopolie kunnen breken.[24] In Nieuw-Nederland was de bonthandelaar Hans Huntum in 1622 in moeilijkheden was geraakt met de indianen.[25]
In 1628 liet Blommaert zich voorlichten door Isaack de Rasière waar het beste land in Nieuw-Nederland kon worden aangekocht.[26][27] De Staten-Generaal der Nederlanden gaf toestemming en meer vrijheden, en de WIC kreeg misschien toestemming om vanuit Afrika slaven naar de kolonie te transporteren.[28] Blommaert werkte samen met Kiliaen van Rensselaer, Samuel Godijn en Albert Coenraetsz. Burgh,[29] want aan kooplieden die binnen vier jaar minstens vijftig volwassen kolonisten naar Nieuw-Nederland overbrachten, werd een door henzelf te kiezen grondgebied toegezegd, alwaar zij bestuur en rechtspraak zouden mogen uitoefenen. De patroon betaalde de reis en voorzag in onderdak, maar had daarna voor een aantal jaar het recht op de diensten. Het was een semi-feodaal systeem.[30] De immigrant keerde terug of kreeg een stuk land om voor zichzelf te beginnen.[31] De patroons, feitelijk een soort "leenmannen" der Compagnie, gedroegen zich als potentaten tegenover hun "onderdanen". De Nederlanders gingen ervan uit dat het om gemene grond ging; de inheemse Indianen waren het niet eens met die visie en reageerden met het roven van vee.
In opdracht van Blommaert en Godijn, de schoonvader van twee Trippen (Jacob en Hendrik Trip), werden in 1629 onderhandelingen ingezet met de Indianen, om een stuk land in eigendom te verkrijgen tussen Cape Henlopen tot de monding van de Delaware.[32][33] De aankoop is in 1630 geratificeerd door Peter Minuit en zijn raad in Fort Amsterdam en leidde in 1631 tot de stichting van Swaanendael, gelegen bij het huidige plaatsje Lewes.[34][35] Het eerste schip dat uitzeilde met kolonisten en beesten op 12 december 1630 werd binnen een paar dagen door Duinkerker kapers in beslag genomen en zal zijn bestemming niet hebben bereikt.[36]

De vier patroons hadden besloten om te gaan samenwerken zodat ze hun risico's konden spreiden. Ook al waren de gemaakte afspraken duidelijk - ieder behield twee vijfde aan aandelen van zijn eigen patroonschap en ontving daarnaast een vijfde van de andere drie patroonschappen - het experiment slaagde niet. De patroonschappen van Burgh en Blommaert strandden al snel. Godijn redde het alleen door meer aandeelhouders toe te laten, zoals David Pietersz. de Vries, die een tweede poging ondernam.[37] De bevolking van Swaanendael was in 1632 volledig uitgeroeid door de lokale indianen, waarna Burgh zijn aandeel in Rensselaerswijck verkocht aan Rensselaer of Johannes de Laet.[38][39] Alleen Blommaert en Rensselaer hielden hun bezittingen aan, gelegen aan de Connecticut. In 1634 zijn de patroonsrechten van Swaanendael afgekocht.[bron?]
Nieuw-Zweden
[bewerken | brontekst bewerken]
Al enige tijd was Blommaert betrokken in de koperhandel en -industrie, mogelijk samen met zijn zwager Gerard Thins.[40] In 1627 kreeg hij ruzie over een lading van 34 kanonnen.[41] In 1632 weigerde hij Zweeds kopergeld aan te nemen en pleitte voor de afschaffing. In 1635 begon hij een messingfabriek in Nacka. Oxenstierna bezocht in dat jaar Amsterdam en spoedig daarna ontspon zich een correspondentie tussen Blommaert en de Zweedse rijkskanselier. In 1636 werd Blommaert benoemd tot Zweeds consul in Amsterdam.[42] In 1637 bereidde Blommaert in het geheim de eerste Zweeds expeditie voor naar Nieuw-Zweden. Hij bezat een kwart van de aandelen en benoemde Peter Minuit als "gezagvoerder". Minuit wist maar al te goed dat het uitverkoren gebied aan de Zuydtrivier door de WIC tot haar grondgebied werd gerekend, maar er nagenoeg onbewaakt bij lag.[43] Ongeveer dertig landbouwers, behoorlijk van alle benodigdheden voorzien, zetten voet aan de grond bij de monding van de rivier de Hoarkill; er kwam een stenen gebouw, met palissaden omringd, dat tegelijk voor fort, kantoor en woonhuis moest dienen. Toen David Pietersz. de Vries daar aankwam, ... ten einde tabak en koren te verbouwen, en vandaar uit de walvisvangst te drijven, was de kolonie in het tegenwoordige Kent County (Delaware) al ten ondergegaan.[44][45] Omdat walvisvangst voor de kust van Nieuw-Engeland onprofijtelijk was gebleken, had Blommaert zijn zinnen gezet op het kapen van Spaanse schepen, om zijn investeringen terug te verdienen. In feite was de WIC in 1636 bankroet en alle pogingen tot sanering waren tot mislukking gedoemd.[46] Nadat ook de tweede expeditie minder opleverde dan verwacht, trok Blommaert zich terug uit het Zweedse avontuur.
Omstreeks 1644 werd berekend dat Nieuw-Nederland per saldo al ƒ550.000 had gekost. Het wachten was op Peter Stuyvesant die dat geld kon terugverdienen. In 1644 kreeg Blommaert ruzie met de erfgenamen van Kilian van Rensselaer over Rensselaerswijck, over het schip, dat met averij op de Bermuda-eilanden terecht was gekomen of over 1585 beverhuiden die werden verkocht door de weduwe van Rensselaer.[47] In 1645 was de WIC er slecht aan toe en werd handel met het buitenland voor particulieren opengesteld. De kolonie aan de "Zuidrivier" leidde een kwijnend bestaan.[48]
Levenseinde en nalatenschap
[bewerken | brontekst bewerken]In 1640 liet Samuel Bloemart de Jonge (1615-) zijn ouders voor de aanschaf van een partij goederen opdraaien. Volgens zijn ouders had hij zijn verstand verloren en werd hij in 1646 onterfd. Hij is mogelijk verdwenen in Nederlands-Brazilië, waar hij destijds verbleef. Blommaert de Oude was in 1640 betrokken bij het opzetten van de mijnbouw in dat land, naar eigen zeggen ook in Chili.[bron?] In 1647 lieten Blommaert en zijn vrouw zich portretteren; hij droeg een hoge hoed, en had een grijzende snor; zij droeg een grote witte plooikraag op het bekende donkere kostuum.[49][50] De schilder is onbekend. In de jaren 1647, 1648 en 1649 betaalde hij geen verponding en een goede verklaring dat in het verleden niet met zekerheid de locatie van zijn woonhuis kon worden vastgesteld.[51][52] Blommaert was de voogd van zijn neef Isaac Coymans en zijn zuster.
In december 1651 werd hij ziek en gaf zijn schoonzoon Schenk opdracht de zaken in Den Haag verder te regelen. Zijn dochter Margaritha bleef ongehuwd; Sara trouwde met Cornelis Schenk; Barbera trouwde met Welter Pelser; Catharina trouwde met een gelijknamige zoon van Abraham Elzevier; Constantia (1626-) trouwde met Isaac Sweers en Anna met François Roman, directeur van de VOC in Nederlands Malakka.[53]
In 1654 werd de weduwe ziek; zij woonde bij haar dochter aan de Singel. Het huis op de Keizersgracht is verkocht rond 1655 aan Daniël Bernard. De aandelen in de koloniën Nieuw-Nederland, Nieuw-Zweden en West-Indië bleven onverdeeld. In 1684 speelde de zaak Rensselaerswijck nog steeds. In het daarop volgende jaar werd het 2/10 aandeel in de kolonie aan Rijckaert en Kiliaen Rensselaer verkocht.[54]
Externe link
[bewerken | brontekst bewerken]- Kaart van Nieuw-Nederland, Nationaal Archief
Literatuur
[bewerken | brontekst bewerken]Kanttekeningen
- ↑ Ook als Bloemaert, Blommaerts, Blommaart, Blomert, etc.
Literatuur
- Kernkamp, G.W. (1908) Brieven van Samuel Blommaert aan den Zweedschen Rijkskanselier Axel Oxenstierna 1635-1641. In: Bijdragen & Mededeelingen van het Historisch Genootschap, nr. 29.
- Ligtenberg. L. (1999) De nieuwe wereld van Peter Stuyvesant. Nederlandse voetsporen in de Verenigde Staten.
Bronnenlijst
- ↑ Samuel Bloemert is begraven in de Westerkerk . In januari 1652 zat de weduwe Catharina Reynst bij de notaris. Het was de weduwe die in 1654 is begraven en niet haar echtgenoot zoals soms is te lezen.
- ↑ nr 11
- ↑ Een zekere Thomas Blommaert woonde in Haarlem en was betrokken bij de koperhandel in Zweden; Daniël Blommaert was zijn buurman op de Keizersgracht; hoogstwaarschijnlijk zijn broer, maar er zijn nauwelijks akten die enig licht werpen op de relatie. Zijn neef Samuel Blommaert kwam in 1614 vanuit London naar Amsterdam, om te worden opgeleid in de diamanthandel.
- ↑ Constantijn Huygens was zijn neef.
- ↑ Genealogie van Isaak Sweers, (H. de Voogd van Straaten. In: De Nederlandsche Leeuw, No. 9 (1893), pp. 65-7)
- ↑ Doopbewijzen van twaalf kinderen; Lodewijk (1613), Jacques (1617) en Cathrina (1624) stierven in hun kinderjaren
- ↑ Aankoop twee bouwkavels aan de oostzijde van de Keizersgracht bij de Leliegracht [dode link]
- ↑ Dearest pet: on bestiality Door Midas Dekkers, Paul Vincent
- ↑ Het verslag, dat hij aan Isaac Vossius gaf, werd gebruikt door Olfert Dapper in 1668.
- ↑ Jones, Adam (1990). Decompiling Dapper: A Preliminary Search for Evidence. History in Africa 17: 171–209. ISSN:0361-5413. DOI:10.2307/3171812.
- ↑ http://africanistes.revues.org/document125.html#ftn27
- ↑ History and Social Anthropology Door I. M. Lewis
- ↑ http://databases.tanap.net/ead/html/1.04.02/index.html?N1437B
- ↑ [dode link]
- ↑ Klein, P.W. (1963) De Trippen in de 17e eeuw, p. 146.
- ↑ Gelderblom, O. (2000) Zuid-Nederlandse kooplieden en de opkomst van de Amsterdamse stapelmarkt, p. 224, 231.
- 1 2 Kernkamp, G.W. (1908) Brieven van Samuel Blommaert aan den Zweedschen Rijkskanselier Axel Oxenstierna 1635-1641, p. 16-17. In: Bijdragen & Mededeelingen van het Historisch Genootschap, nr. 29.
- ↑ Barreveld, D.J. (2002) Tegen de heren ..., p. 32, 144.
- ↑ Abel Janszoon Tasman's Journal. gutenberg.net.au. Geraadpleegd op 22 mei 2026.
- ↑ Hoftijzer, Paul Gerardus (2005). Leven na Descartes: zeven opstellen over ideeëngeschiedenis in Nederland in de tweede helft van de zeventiende eeuw. Uitgeverij Verloren. ISBN 978-90-6550-873-7.
- ↑ Op jacht naar Spaans zilver. Het scheepsjournaal van Willem van Brederode, kapitein der mariniers in de Nassause vloot (1623-1626), p. 45.
- ↑ Ratelband, K. (2006) De Westafrikaanse reis van Piet Heyn 1624-1625, p. LX.
- ↑ Tresoor der zee- en landreizen III.
- ↑ Ligtenberg. L. (1999) De nieuwe wereld van Peter Stuyvesant. Nederlandse voetsporen in de Verenigde Staten, p. 32-33.
- ↑ Ligtenberg, L. (1999) De nieuwe wereld van Peter Stuyvesant. Nederlandse voetsporen in de Verenigde Staten, p. 36.
- ↑ (en) Pory, John (1997-06). Three Visitors to Early Plymouth. Applewood Books. ISBN 978-1-55709-463-6.
- ↑ Wayback Machine. www.mayflowerhistory.com. Gearchiveerd op 25 juli 2008. Geraadpleegd op 22 mei 2026.
- ↑ (en) Sivertsen, Karen, Babel on the Hudson: Community formation in Dutch Manhattan pp. 201-202. Duke University (2007). Geraadpleegd op 24 februari 2023.
- ↑ http://www.nationaalarchief.nl/transcripties/blommaert_index.html[dode link]
- ↑ Dillen, J.G. van (1970) p. 163.
- ↑ Ligtenberg. L. (1999) De nieuwe wereld van Peter Stuyvesant. Nederlandse voetsporen in de Verenigde Staten, p. 36.
- ↑ Afscheid van Indië. www.nationaalarchief.nl. Nationaal Archief. Geraadpleegd op 22 mei 2026.
- ↑ http://awad.kitlv.nl/records?id=254[dode link]
- ↑ History. delawareliving.com. Gearchiveerd op 8 mei 2009. Geraadpleegd op 22 mei 2026.
- ↑ Michiel Reyniersz Pauw stichtte Pavonia.
- ↑ Colenbrander, H.T. (1912) Verscheiden Voyagien door David Pietersz. de Vries, 1618-1644. Linschoten Vereniging.
- ↑ Gosselink, M. (2009) New York Nieuw-Amsterdam. De Nederlandse oorsprong van Manhattan, p. 75.
- ↑ (en) O'Callaghan, E. B. (1855). History of the Netherland; or New York Under the Dutch..
- ↑ Johannes De Laet. stuyvesant.library.uu.nl. Gearchiveerd op 12 oktober 2006. Geraadpleegd op 22 mei 2026.
- ↑ Klein, P.W. (1963), p. 326, 364.
- ↑ Klein, P.W. (1963) De Trippen in de 17e eeuw, p. 279.
- ↑ Klein, P.W. (1963) De Trippen in de 17e eeuw, p. 374.
- ↑ Shorto, R. (2004) Nieuw-Amsterdam. Eiland in het Hart van de Wereld, p. 110.
- ↑ Ligtenberg, p. 65.
- ↑ Rees, Otto van (1855). Geschiedenis der Nederlandsche volkplantingen in Noord-Amerika: beschouwd uit het oogpunt der koloniale politiek. Bij H.C.A. Campagne.
- ↑ Dillen, J.G. van (1970), p. 169.
- ↑ http://freepages.genealogy.rootsweb.ancestry.com/~wynkoop/webdocs/gaa.htm
- ↑ Dillen, J.G. (1970) Van Rijkdom en Regenten, p. 163-165.
- ↑ RKD[dode link]
- ↑ http://ib.rkd.nl/showobject.mhtml?ib=60634[dode link]
- ↑ Houten, van E. (1962) Grachtenboek naar de oorspronkelijke tekeningen van Caspar Phillips Jacobszoon. Geschiedbouwkundige beschrijvingen behorende bij het Grachtenboek, Stadsdrukkerij. Amsterdam.
- ↑ Niet Keizersgracht 158 zoals wordt beweerd in de Historische Gids van Amsterdam (1974), p. 403.
- ↑ http://siec.winnem.com/eng/nsiec12_3_e.htm[dode link]
- ↑ (en) Collections of the New-York Historical Society for the Year. I. Riley - New York Historical Society (1849).
