Remaclusschrijn
| Remaclusschrijn | ||||
|---|---|---|---|---|
Het schrijn in 1996 | ||||
| Kunstenaar | onbekend | |||
| Jaar | ca. 1230-1263 | |||
| Huidige locatie | Sint-Sebastiaanskerk, Stavelot | |||
| Stroming | Maaslands, laatromaans | |||
| Materiaal | verguld koper en zilver, email en edelstenen | |||
| Lengte | 207 cm | |||
| Breedte | 58,3 cm | |||
| Hoogte | 94 cm | |||
| Monumentstatus | roerend cultureel erfgoed van de Franse gemeenschap in België | |||
| ||||
Het Remaclusschrijn (Frans: châsse de saint Remacle) is het middeleeuwse reliekschrijn van de heilige Remaclus, dat bewaard wordt in de Sint-Sebastiaanskerk in de Belgische stad Stavelot (provincie Luik). Het met verguld zilver en koper beklede schrijn, dat zeer rijk versierd is, dateert uit het midden van de dertiende eeuw. Het wordt gerekend tot de meesterwerken van de Maaslandse edelsmeedkunst. Het Remaclusschrijn staat op de lijst van roerend cultureel erfgoed van de Franse gemeenschap in België.[1]
Geschiedenis
[bewerken | brontekst bewerken]Voorgeschiedenis: relieken van Remaclus
[bewerken | brontekst bewerken]Over de zevende-eeuwse bisschop en kloosterstichter Remaclus is weinig met zekerheid bekend. Hij zou tussen 671 en 675 zijn overleden in het door hem gestichte klooster van Stavelot.[2] Daar werd hij ook begraven. Op 25 juni 680 liet abt Godwin relieken van de kloosterstichter in het altaar van de kloosterkerk plaatsen, die drie weken eerder was ingewijd. Deze elevatio ofwel "verheffing tot de eer der altaren" stond in de middeleeuwen gelijk met een heiligverklaring. Het oorspronkelijke graf van Remaclus zou in 1042, in de tijd van abt Poppo van Stavelot, zijn herontdekt. Wat er over was van zijn gebeente werd toen vermoedelijk in een reliekschrijn geplaatst. Over het uiterlijk van dit schrijn is niets bekend; wel over de plaatsing ervan. Het schrijn stond opgesteld op een hoge sokkel (lectica) van goud en zilver, achter het hoogaltaar in de apsis van de kerk. De apsis van de door Poppo gebouwde abdijkerk bezat een ommegang met een rondboogarcade, geïnspireerd door de Heilig Grafkerk in Jeruzalem. Mogelijk werd de sokkel ondersteund door zuiltjes, zodat men er onderdoor kon lopen, zoals bekend is van andere bedevaartkerken.[3]
In de tijd van abt Wibald van Stavelot, omstreeks 1150, is vermoedelijk een nieuw schrijn vervaardigd, tegelijkertijd met het ambitieuze Remaclusretabel. Van het schrijn is niets bewaard gebleven; van het retabel slechts enkele emailfragmenten. Wel bestaat er een zeer gedetailleerde zeventiende-eeuwse tekening van het retabel, mogelijk een kopie van een oudere tekening. Daarop is ook een schrijn te zien, dat echter geen gelijkenis vertoond met het nog bestaande, dertiende-eeuwse schrijn, en dat dus vermoedelijk het twaalfde-eeuwse schrijn voorstelt, dat blijkbaar in de zeventiende eeuw nog bestond.[noot 1] Gesteld kan worden dat het retabel van den beginne bedoeld was om een centraal gepositioneerd reliekschrijn te bevatten, dat in elk gevel niet groter was dan de op de tekening aangegeven nis.[noot 2]
Van het schrijn op de tekening uit ca. 1665 is alleen de voorgevel te zien, een voor die tijd typerende puntgevel, die in dit geval uit twee delen bestaat: een rechthoekig paneel en daarboven een driehoekig, frontonachtig paneel. Op het onderste paneel zijn onder een drielobboog drie, waarschijnlijk in reliëf weergegeven figuren te zien. De gevelindeling met drie figuren onder een drielobboog is bekend van enkele andere schrijnen: de Noodkist in Maastricht, het Heribertschrijn in Keulen-Deutz en het gedemonteerde Odaschrijn uit Amay, waarvan zich een twaalfde-eeuwse gevel in het British Museum in Londen bevindt. Als het oude Remaclusschrijn inderdaad omstreeks 1150 is ontstaan, zijn de andere schrijnen waarschijnlijk navolgingen daarvan. De drie afgebeelde figuren zijn Christus (in het midden), die Petrus (ter rechterzijde) en Remaclus (ter linkerzijde) zegent. Ook dit is een bekend thema in de Maaslandse kunst. Op het Maastrichtse westwerkaltaar uit ca. 1150-1160 overhandigt Christus hemelse kronen en hemelsleutels aan Petrus (ter rechterzijde) en Servaas (ter linkerzijde). Het fronton bevatte volgens de tekening een kruisreliek, dat omhoog gehouden werd door twee engelen, zoals ook te zien is op het Luikse kruistriptiek van Sainte-Croix. Onder het reliek staat de Latijnse tekst: SIGNVM SANCTE CRVCIS ("het teken van het heilig kruis"). De vrij gedetailleerd getekende sierrand rondom de voorgevel bestond uit afwisselend versierde en onversierde plaatjes, vrijwel identiek met de sierrand van de Odagevel in het British Museum.
13e-18e eeuw: ontstaan en gebruik van het schrijn
[bewerken | brontekst bewerken]Volgens twee bewaard gebleven brieven plaatsten de monniken van Stavelot tussen 1263 en 1268 de relieken van Remaclus over van het oude schrijn naar het nieuwe, thans nog bestaande schrijn. Het betreft twee brieven van de monniken van Stavelot aan hun collega's in de abdij van Solignac, in de Franse regio Limousin. Beide benedictijnse abdijen hadden een sterke band met Remaclus. De eerste brief is gedateerd 13 juni 1263 en vermeldt het voornemen om een reliek van Remaclus van Stavelot naar Solignac te sturen. Dit zou gebeuren zodra de relieken te Stavelot van het oude naar het nieuwe, "glorieuze" schrijn werden overgebracht. De tweede brief, gedateerd 13 mei 1268, vermeldt de overdracht van het reliek aan de abdij van Solignac.[6] Om deze reden is het ontstaan van het Remaclusschrijn in het verleden in de jaren zestig van de dertiende eeuw geplaatst. Zie Kunsthistorische analyse voor alternatieve dateringen.

Waarom het bestaande schrijn werd vervangen, mogelijk al na een eeuw, is niet bekend. Mogelijk was het beschadigd geraakt tijdens eens belegering of plundering of tijdens een zogenaamde 'noodprocessie', waarbij het reliekschrijn van een plaatselijke heilige in processie werd rondgedragen om onheil (ziektes, plagen, hongersnoden) af te wenden. Een andere mogelijkheid is dat men behoefte had aan een meer eigentijds schrijn, waarvan men wellicht voorbeelden in de omgeving had gezien, zoals het Onze-Lieve-Vrouweschrijn in Hoei, het Odaschrijn in Amay en het Maurusschrijn, destijds in de abdij van Florennes. Na de voltooiing van het nieuwe schrijn en de overbrenging van de relieken van Remaclus tussen 1163 en 1168, kreeg het oude schrijn een nieuwe bestemming als reliekschrijn van een andere abt van Stavelot, de heilige Papolin.
Over een eventuele functie van het (nieuwe) schrijn in de liturgie is weinig bekend. Historische documenten bevestigen dat het schrijn zich permanent op het priesterkoor bevond, waar ook het koorgestoelte stond. Tijdens het bidden en zingen van de getijdengebeden bevonden de monniken zich dus meerdere keren per dag in de directe nabijheid van de relieken van de patroonheilige.
Omstreeks 1715 vond een restauratie plaats door de benedictijn Dom Gille Paschasi en zijn neef, die kapucijner monnik was.[7]
Na 1797
[bewerken | brontekst bewerken]In de Franse tijd (1794-1814) was het abdijvorstendom Stavelot-Malmedy, samen met het Prinsbisdom Luik en de Zuidelijke Nederlanden, onderdeel van de Eerste Franse Republiek. Op last van de Franse overheid werden alle geestelijke instellingen in 1797 opgeheven, ook de meer dan 1100 jaar oude abdij van Stavelot. Daarbij werd de abdijkerk aan de eredienst onttrokken, gevolgd door de geleidelijke sloop van de meeste gebouwen, en raakte de zeer rijke kerkschat verspreid. Al in 1794, toen de Franse revolutionaire troepen het Luikerland bezetten, waren de meeste monniken de Rijn over gevlucht naar Hanau, vlakbij Frankfurt am Main. De kerkschat namen ze daarbij mee op karren. Veel kostbare voorwerpen werden geschonken aan de families die de benedictijnen in Hanau onderdak boden. Later werden diverse van deze voorwerpen op de internationale kunstmarkt verhandeld en kwamen in privécollecties en museumcollecties terecht. Zo bevindt zich het bekende kruistriptiek van Stavelot tegenwoordig in de Morgan Library & Museum in New York, en het Pinksterretabel in het Musée national du Moyen Âge in Parijs. Twee andere voorwerpen, het draagaltaar van Stavelot en de reliekhouder van paus Alexander, zijn onderdeel van de permanente collectie van het Museum Kunst & Geschiedenis in Brussel.[8] Van de reliekhouders zijn in Stavelot alleen het schrijn van Remaclus en de reliekbuste van abt Poppo nog te zien. Het schrijn werd eveneens meegenomen naar Hanau, maar keerde in 1805 terug. Het bevindt zich sindsdien in de parochiekerk van Stavelot, de Sint-Sebastiaanskerk.

Aan het einde van de negentiende eeuw zette de pastoor-deken, tevens abt, Philippe Jadot (1885-1906) zich in voor de heropleving van de Remaclus-cultus. Hij liet onder andere een gouden reliekbuste van de heilige vervaardigen. Tijdens zijn decanaat werd het Remaclusschrijn tentoongesteld in een soort houten kast, genaamd "De Triomf van Sint-Remaclus", in het rechter pseudotransept. In 1911 stalen dieven twee reliëfbeeldjes van het schrijn, Christus en Paulus. Enkele dagen later werden ze in Parijs teruggevonden, maar het duurde twee jaar voor ze terugkeerden naar Stavelot. Vervolgens werd een plan opgesteld voor de bouw van een crypte om de kerkschat beter te kunnen beschermen. De in de crypte gerealiseerde schatkamer was vanaf het begin voor het publiek toegankelijk.[9]

In 1898 organiseerde pastoor-deken Jadot de eerste heiligdomsvaart van Stavelot, een zevenjaarlijks feest ter ere van Remaclus, wellicht geïnspireerd door de Heiligdomsvaart van Maastricht en die te Aken. De tweede heiligdomsvaart vond plaats in 1905, echter zonder het schrijn, dat zich te Luik bevond ter gelegenheid van Wereldtentoonstelling aldaar. Bij de volgende editie, in 1912, was het schrijn weer het middelpunt van de festiviteiten. Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog kon de zevende editie in 1940 niet doorgaan. In 1975 werd het Remaclusschrijn voor het laatst meegedragen in een processie, waarna men die traditie liet varen vanuit het oogpunt van conservering.[10]
Het schrijn werd in 1923-1924 gerestaureerd door de edelsmid Albert Scuvie van het Luikse atelier Wilmotte. In 1952-1953 vond opnieuw een restauratie plaats, ditmaal door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK).[7]
Anno 2026 staat het schrijn weer op het koor opgesteld, in een glazen vitrine op een moderne altaartafel, vóór het barokke hoofdaltaar.
Beschrijving
[bewerken | brontekst bewerken]Het Remaclusschrijn bestaat uit een eikenhouten kern bekleed met platen van deels verguld koper en zilver. Daarop zijn verschillende edelsmeedtechnieken toegepast, zoals drijf- en repousseerwerk, pointilleerwerk, filigraanwerk, stempelwerk, graveerwerk, bruinvernis, champlevé-email en inlegwerk met diverse soorten edelstenen. Het schrijn heeft de vorm van een huis (het "hemelhuis") of zaalkerk met zadeldak. Het is 207 cm lang, 58,3 cm breed en 94 cm hoog[7] en is daarmee qua afmetingen het grootste Rijn-Maaslandse schrijn, na het Driekoningenschrijn in de Dom van Keulen. Het is tevens een van de meest weelderig versierde schrijnen uit de middeleeuwen.[11]
- Detailfoto's edelsmeedtechnieken
- Christuszijde met o.a. email, filigraan en opengewerkte kam
- Idem, sierknop
- Drijfwerk: Christuskop
- Idem:
Maria en kind - Maria's troon
- Zuiltjes en basementen: kopergietwerk, bruinvernis
- Lange zijde, dakrand: puntgevel met kam, email, filigraan, inlegwerk
- Idem, onderrand: stans- en stempelwerk, filigraan, drijfwerk
- Drijfwerk: Paulus
Korte zijden
[bewerken | brontekst bewerken]Op de gevelstukken zijn in haut-reliëf Jezus en Maria afgebeeld, beiden in gedreven zilver en staande onder een drielobboog. De aureolen zijn uitgevoerd in email. De tronen hebben een bijna gotische vormgeving en zijn gedecoreerd met filigraan en edelstenen. De achtergronden bestaan uit verguld koperstempelwerk met fleur-de-lismotieven in een ruitpatroon. Achter de dubbele zuiltjes bevinden zich panelen met bruinvernis. De brede, opengewerkte kam bestaat uit verguld ajourwerk van gebladerte met aan de uiteinden een grote krul van acanthusbladeren. De kam wordt op beide gevels bekroond door een groot, bloemknopvormig ornament van verguld koper met druppelvormige emailplaatjes.
Jezus is afgebeeld als de tronende Christus in majesteit (Majestas Domini), als schepper en wereldheerser. Met zijn rechterhand zegent hij op Latijnse wijze (met twee opgestoken vingers); in zijn linkerhand houdt hij een wereldbol. Onder zijn voeten vertrapt hij een draak. Langs de dakrand bevindt zich een Latijnse inscriptie in email: SOLVS AB ETERNO CREO CVNCTA CREATA GVBERNO ("Ik alleen schep vanuit de eeuwigheid en heers over al wat geschapen is"). Dit opschrift is letterlijk overgenomen van het Akense Mariaschrijn.[12] Op de andere gevel is Maria afgebeeld als zetel der wijsheid (Sedes sapientiae), en tegelijkertijd als gekroonde en tronende koningin des hemels (Regina coeli) en als moeder met kind (Madonna). Zowel Maria als het kind Jezus houden een wereldbol vast, ten teken dat ze beiden wereldheersers zijn. Ook hier is een inscriptie aanwezig, die in dit geval een dialoog tussen moeder en kind weergeeft: TV MICHI NATE PATER ET TU MICHI FILIA MATER ("Jij die uit mijn schoot geboren bent, jij bent mijn vader. Jij die mijn dochter bent, jij bent mijn moeder").[5][7]
Lange zijden
[bewerken | brontekst bewerken]De lange zijden van het schrijn hebben een architectonische opbouw van geschakelde puntgevels, die iets boven de zijgevels van het schrijn uitsteken, en waaronder zich arcaden met drielobbogen bevinden. De arcaden steunen op dubbele zuiltjes met basementen en kapitelen. In de nissen zijn reliëfbeeldjes geplaatst van de twaalf apostelen met telkens in hun midden een voor de abdij van Stavelot belangrijke heilige. De zijde met de abdijstichter en patroonheilige Remaclus wordt aangeduid als Remacluszijde (soms ook Petruszijde, naar de als eerste afgebeelde apostel, naast Christus). De andere zijde met de patroonheilige van het bisdom Luik, Lambertus, wordt Lambertuszijde (of Pauluszijde) genoemd. Alle apostelen en heiligen zijn zittend afgebeeld met attributen en inscripties, zodat ze eenvoudig te identificeren zijn. Aan de Remacluszijde is de volgorde, van links naar rechts: Petrus, Andreas, Johannes, Remaclus, Jakobus de Mindere, Bartolomeüs en Simon. Aan de Lambertuszijde is de rangschikking als volgt: Judas Taddeüs, Matteüs, Filippus, Lambertus, Tomas, Jakobus de Meerdere en Paulus.[noot 3]
Alle beeldjes zijn uitgevoerd in gedreven zilver, dat daarna verguld is. De aureolen zijn op enkele uitzonderingen na van kleurrijk email; die van Paulus en Tomas zijn slechts deels geëmailleerd; die van Petrus in het geheel niet. Zitbanken, kledingboorden, mijters (van de twee bisschoppen) en boeken zijn met filigraan versierd, soms met edelstenen ingelegd. Net zoals bij de voorgevels bestaan de achtergronden van de nissen uit verguld koperen platen, waarop een ruitpatroon met fleur de lissen is gestempeld. De drielobbogen zijn versierd met gegraveerde bladmotieven. Daarboven verheffen zich de puntgevels, die uit drie lijsten bestaan: een tekststrook met de naam van de heilige (op de opgaande lijst SANCTVS (heilige), op de neergaande lijst de naam), een filigraanlijst met edelstenen, en een opengewerkte kam van geschakelde palmetten, bekroond met bloemknopvormige ornamenten (verkleinde uitgaven van de knoppen op de kam van de korte gevelstukken).
Dakgevels
[bewerken | brontekst bewerken]
De dakgevels van het schrijn zijn aan elke zijde onderverdeeld in vier rechthoekige panelen, waarop voorstellingen in bas-reliëf zijn aangebracht. De reliëfs zijn gevat in zeer rijk versierde omlijstingen met onder andere bruinvernis, pointilleerwerk, filigraanwerk, emails en edelstenen. De brede kam van ajourwerk die de beide puntgevels siert, zet zich aan de lange zijden voort langs de nok van het dak. Ook de bloemvormige knoppen als bekroning keren hier terug, in totaal vijf, waarvan de buitenste en de middelste iets groter zijn dan de andere twee, die daarnaast ronde in plaats van druppelvormige emailplaatjes hebben.
De reliëfs tonen scènes uit het leven van Jezus. Aan de Remacluszijde zijn dat scènes rond de geboorte van Jezus, van links naar rechts: de Annunciatie (Maria en de aartsengel Gabriël met banderoltekst AVE MARIA GRATIA PLENA), de Geboorte van Jezus, de Aanbidding der Koningen (met Maria als Sedes sapientiae) en de Opdracht in de tempel (met o.a. Simeon en Anna). Op de reliëfs aan de Lambertuszijde staan de dood en opstanding van Jezus centraal, van links naar rechts: het Laatste Avondmaal, de Kruisiging (met Johannes, Maria en twee vrouwelijke personificaties), de Verrijzenis (de drie Maria's bij de lege graftombe) en de Hemelvaart (met Maria, de twaalf apostelen en twee engelen met banderollen).

Opvallend is de verschillende weergave van de taferelen aan beide zijden van het schrijn. De reliëfs aan de Remacluszijde kenmerken zich door een architecturale opbouw met drielob- of rondboogarcaden met rijkversierde zuilen en kapitelen. Dit levert soms een vervreemdend effect op, zoals bij de geboortescène, die volgens het Bijbelse verhaal in een stal plaatsvond, maar waar de Stavelotse kunstenaar de arcade nog eens extra opsierde met gedrapeerde doeken en het meubilair, waaronder de kribbe van Jezus, een uitgesproken luxe karakter gaf. Alleen de aanwezigheid van de os en de ezel herinneren aan het kerstverhaal. De reliëfs aan de Lambertuszijde zijn veel 'kaler'. Alleen op het tafereel van de hemelvaart is een aanzet van een arcade te zien. Opvallend is de weergave van het Laatste Avondmaal, waarbij Judas Iskariot en Johannes separaat van de andere apostelen zijn afgebeeld: Judas op de grond met zijn buidel verradersgeld, Johannes zeer intiem aan de borst van Jezus. Op de kruisigingsscène zijn twee allegorische figuren afgebeeld die de Kerk en Synagoge (Ecclesia et Synagoga) voorstellen: links Ecclesia (met miskelk); rechts de geblinddoekte Synagoga, die zich van het kruis afwendt en de tafelen der wet laat vallen.[13] Een humoristisch detail is de slapende soldaat, afgebeeld in of leunend tegen de lege sarcofaag (met een kruik wijn?).
- Detailfoto's dakreliëfs
- Annunciatie
- Aanbidding der koningen
- Opdracht in de tempel
- Kruisiging
- Vrouwen bij het lege graf
- Hemelvaart
Kunsthistorische analyse
[bewerken | brontekst bewerken]Het Remaclusschrijn wordt gerekend tot de meesterwerken van de Maaslandse edelsmeedkunst. Het dertiende-eeuwse schrijn is een relatief laat product van een Maaslands atelier. De edelsmeedkunst in het Rijn-Maasgebied beleefde toen een nieuwe bloeiperiode. Enerzijds greep men terug op de romaanse vormgeving van de grote Maaslandse schrijnen uit de periode 1150-1210, anderzijds trachtte men aansluiting te vinden bij de ontluikende gotische vormgeving. In deze periode kwamen niettemin belangrijke werkstukken tot stand als het Mariaschrijn in de Dom van Aken, het Onze-Lieve-Vrouweschrijn in de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Hoei, het Odaschrijn in de Sint-Joris-en-Sint-Odakerk in Amay, het Maurusschrijn, oorspronkelijk in de Abdij van Florennes, het Eleutheriusschrijn in de kathedraal van Doornik en het werk van Hugo van Oignies in de omgeving van Namen.
Het Remaclusschrijn hoort zeker in dit rijtje thuis. Het repousseerwerk (drijfwerk), het stans- en stempelwerk, het filigraan, het emailleerwerk en het bruinvernis zijn allemaal van zeer hoge kwaliteit.[noot 4] Wat de opengewerkte, gestempelde sierkam betreft, deze is identiek met de kam aan de Christuszijde van het Mariaschrijn in Aken en vertoont eveneens grote overeenkomsten met die van het Odaschrijn in Amay en het Onze-Lieve-Vrouweschrijn in Hoei.[15] Enkele gegraveerde koperen plaatjes op de schrijnen van Stavelot en Aken tonen dezelfde motieven.[16] Met het Akense schrijn heeft het Remaclusschrijn de geschakelde puntgevels, de arcaden met drielobbogen en de dubbele arcadezuiltjes gemeen. De dubbele zuiltjes zijn ook terug te vinden op andere schrijnen uit die tijd, zoals in Amay. Ze ontbreken op het Onze-Lieve-Vrouweschrijn in Hoei, maar verder is de architectonische opbouw vrijwel identiek met Stavelot. Zelfs de decoratie van de zuiltjes en de gestempelde achtergronden met ruitjespatroon en fleur de lissen komen overeen.
De meeste 'oudere' kunsthistorici dateerden het Remaclusschrijn in het derde kwart van de dertiende eeuw, waarbij men zich beriep op de genoemde brieven uit 1263 en 1268, en men ervan uitging dat het schrijn dus kort daarvoor moest zijn vervaardigd. Omdat de stijl van het schrijn niet overeenstemde met deze late datering, werd het als 'archaïsch' bestempeld. Zo schreef de Belgische kunsthistoricus Joseph de Borchgrave d'Altena, hoofdconservator van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, in 1932 in bloemrijk proza dat het Remaclusschrijn "[...] geen veelbelovende dageraad oproept, maar eerder een prachtige avond, een schitterende zonsondergang voorafgaand aan een lange nacht".[17] De Duitse kunsthistoricus Hermann Schnitzler beschouwde het Stavelotse schrijn als een "slechte kopie" van het Akense schrijn, dat onmogelijk in dezelfde werkplaats kon zijn ontstaan.[18] Tegelijkertijd was hij in de jaren 1930 een van de eersten die voorstelde dat het Remaclusschrijn wellicht over een langere periode tot stand was gekomen, vermoedelijk in drie fasen, waarbij hij zich baseerde op stilistische kenmerken.[19]
De vraag of het Remaclusschrijn in een relatief korte tijd, omstreeks 1260, tot stand is gekomen, of gedurende een langere periode, van ca. 1225 tot 1265, hangt samen met de vraag of het schrijn wel of niet archaïsch kan worden genoemd. Die vraag verdeelt kunsthistorici tot op de dag van vandaag.[20] De Luikse kunsthistoricus Benoît Van den Bossche deed eind jaren 1980, begin jaren 1990 uitgebreid vergelijkend onderzoek naar het Remaclusschrijn en het Akense Mariaschrijn. Hij kwam daarbij tot de conclusie dat bij beide schrijnen dezelfde hoogstaande technieken zijn toegepast, waardoor zowel de figuratieve reliëfs als de meer ornamentele delen frappante overeenkomsten vertonen.[noot 5] Daarentegen constateerde hij bij enkele andere schrijnen uit deze periode, met name het Odaschrijn in Amay en het Ermelindeschrijn in Amiens, een duidelijke technische en stilistische achteruitgang. Hoewel hij niet zover ging om te stellen dat de schrijnen te Aken en Stavelot uit hetzelfde atelier moesten stammen, concludeerde hij dat de door hem geconstateerde overeenkomsten voorheen te weinig waren onderzocht en dat deze omissie mede had geleid tot een te late datering van het Remaclusschrijn.[noot 6] Analoog aan het Mariaschrijn stelde Van den Bossche voor het begin van de werkzaamheden aan het Remaclusschrijn te plaatsen in het tweede kwart van de dertiende eeuw. De voltooiing vond dan − mogelijk na een langere onderbreking − in de jaren 1260 plaats.[24]
Het Remaclusschrijn werd in 2010 opgenomen in de lijst van roerend cultureel erfgoed van de Franse gemeenschap in België (Liste des biens classés de la Communauté française).[1]
Zie ook
[bewerken | brontekst bewerken]Bronvermelding, noten
[bewerken | brontekst bewerken]- Geraadpleegde literatuur
- (fr) Bossche, Benoît Van den (1991): Le trésor de l'église Saint-Sébastien à Stavelot. APASR, Stavelot (online tekst)
- (fr) Bossche, Benoît Van den (1994), 'La châsse de saint Remacle à Stavelot. Etude des éléments décoratifs', in: Bulletins de l'Académie Royale de Belgique, jrg. 1994, 5-1-6, pp. 109-149 (online tekst)
- (fr) Bossche, Benoît Van den (2014), 'La châsse de saint Remacle, les orfèvres, l'atelier: état de la question', in: Stavelot gothique, pp. 79-85 (online tekst)
- (fr) Kockerols, Hadrien (2017), 'La châsse de saint Remacle que fit Wibald de Stavelot. "Hoc opus fecit abbas Wibaldus"', in: Bulletin de la Société royale Le Vieux-Liège, deel 17, n° 358-359 (2017), pp. 295-308 (online tekst, hier genummerd 1-15)
- (fr) Noüe, Arsène de (1864): La châsse de Saint Remacle à Stavelot. Overdruk uit: Annales de l'Académie d'Archéologie de Belgique, deel 22, tweede serie, deel II (online tekst)
- (fr) George, Philippe (2002): Reliques & arts précieux en pays mosan. Du haut Moyen Age à l’époque contemporaine (gearchiveerde link)
- Timmers, J.J.M. (1971): De kunst van het Maasland, deel 1. Van Gorcum, Assen
- Voetnoten
- ↑ De Belgische kunsthistoricus Hadrien Kockerols heeft een afwijkende visie op deze tekening, die hij ziet als een ontwerp voor een reconstructie van fragmenten van schrijnen en retabels, die na de godsdienstoorlogen van de zestiende en zeventiende eeuw waren overgebleven. Deze werden aan de hand van de ontwerptekening geassembleerd in een altaarstuk dat in 1628 werd ingewijd.[4]
- ↑ Volgens Benoît Van den Bossche was het dertiende-eeuwse schrijn groter dan het oude; het paste niet meer in de nis en werd daarom vóór het retabel geplaatst.[5]
- ↑ Behalve dat de belangrijkste apostelen Petrus en Paulus direct naast Christus gezeten zijn, lijkt deze volgorde geen speciale betekenis te hebben. Vergelijk de volgorde op andere 'apostelschrijnen': de Noodkist, het Victorschrijn, het Heribertschrijn en het Domitianusschrijn.
- ↑ Het gebruik van bruinvernis ging in het Rijnland in de dertiende eeuw uit de mode; in het Maasland, onder andere te Stavelot, bleef deze techniek in gebruik.[14]
- ↑ In 1989 stelde hij vast dat de heiligenbeeldjes op het schrijn van Stavelot sterk verwant zijn met het werk van de tweede meester op het Akense schrijn.[21] Zo lijkt het gezicht van de tronende Christus op een van de gevels van het Mariaschrijn volgens Van den Bossche sprekend op het gezicht van de tronende Christus op het Remaclusschrijn. Ook stelde hij overeenkomsten in de kleding vast: het gewaad van Paulus in Aken lijkt te zijn gemaakt van dezelfde stof als dat van Judas Thaddeus in Stavelot. Hetzelfde geldt voor de kleding van de Akense Petrus en de Johannes van Stavelot.[22] In 1994 publiceerde hij een vervolgstudie naar de ornamentering van de twee schrijnen. Hij stelde vast dat bij het op beide schrijnen veelvuldig toegepaste stempelwerk vrijwel zeker gebruik is gemaakt van dezelfde mallen. Ook bij het filigraan-, graveer- en emailleerwerk van het Remaclusschrijn kon worden vastgesteld dat bepaalde technieken eerder waren toegepast bij het Mariaschrijn (ca. 1220-1239) en, eerder nog, bij het Keulse Driekoningenschrijn (ca. 1190-1220).[23]
- ↑ Van den Bossche overdreef de verwaarlozing van de overeenkomsten tussen het Mariaschrijn en het Remaclusschrijn enigszins. Andere auteurs, waaronder Timmers in 1971, hadden die ook al beschreven, hoewel minder gedetailleerd.[12] Daarnaast kregen de veel meer in het oog springende overeenkomsten met het Onze-Lieve-Vrouweschrijn in Hoei veel minder aandacht van Van den Bossche.
- Verwijzingen
- 1 2 (fr) 'Châsse de saint Remacle de Stavelot' op patrimoineculturel.cfwb.be, geraadpleegd 4 maart 2026 (gearchiveerde link).
- ↑ Régis de la Haye (1985): De bisschoppen van Maastricht [Vierkant Maastricht #5], p. 58. Stichting Historische Reeks Maastricht, Maastricht. ISBN 90-70356-23-6.
- ↑ Kockerols (2017), pp. 1-2.
- ↑ Kockerols (2017), p. 2 e.v..
- 1 2 Van den Bossche (1991), p. 10.
- ↑ Van den Bossche (2004), pp. 80-81.
- 1 2 3 4 (fr) 'Châsse de saint Remacle de Stavelot' op balat.kikirpa.be, geraadpleegd 3 maart 2026.
- ↑ Van den Bossche (1991), p. 7.
- ↑ Van den Bossche (1991), p. 8.
- ↑ (fr) 'Septennales 2024. Légendes de saint Remacle' op evechedeliege.be, 8 september 2024. geraadpleegd 5 maart 2026.
- ↑ Van den Bossche (2004), p. 79.
- 1 2 Timmers (1971), p. 364.
- ↑ Van den Bossche (1991), p. 12.
- ↑ Van den Bossche (1994), p. 143.
- ↑ Van den Bossche (1994), p. 141.
- ↑ Van den Bossche (1994), pp. 147-148.
- ↑ Van den Bossche (1994), pp. 110-111.
- ↑ Van den Bossche (2004), p. 82.
- ↑ Van den Bossche (1994), p. 110 noot 6.
- ↑ Van den Bossche (2004), pp. 83-84.
- ↑ (fr) Benoît Van den Bossche (1989-1990), 'La châsse de saint Remacle à Stavelot (étude iconographique et stylistique des bas-reliefs et des statuettes)', in: Aachener Kunstblätter, deel 58, pp. 47-73.
- ↑ Van den Bossche (2004), pp. 79-80.
- ↑ Van den Bossche (1994), pp. 149.
- ↑ Van den Bossche (2004), p. 81.
