Noodkist
| Noodkist Servatiusschrijn | ||||
|---|---|---|---|---|
De Noodkist in een glazen vitrine in de Schatkamer van de Sint-Servaasbasiliek (situatie tot 2020) | ||||
| Kunstenaar | onbekend ('Paulusmeester', 'Petrusmeester') | |||
| Jaar | ca. 1160-1170 (tot ca. 1200?) | |||
| Ontstaanslocatie | Maastricht, Maasland | |||
| Huidige locatie | noordertransept van de Sint-Servaasbasiliek, Maastricht | |||
| Stroming | Maaslandse kunst, romaans | |||
| Materiaal | eikenhouten kist bekleed met verguld koperen reliëfs, email, edelstenen | |||
| Lengte | ca. 175 cm | |||
| Breedte | ca. 46 cm | |||
| Hoogte | ca. 74 cm | |||
| ||||
| Noodkistpendanten | ||||
|---|---|---|---|---|
Noodkist en noodkistpendanten in Keulen (1972) | ||||
| Huidige locatie | Museum Kunst & Geschiedenis, Brussel | |||
| Lengte | 56 cm | |||
| Hoogte | 33 cm | |||
| ||||
De Noodkist, ook Servatiusschrijn genoemd, is het twaalfde-eeuwse reliekschrijn van Sint-Servaas, dat bewaard wordt in de Sint-Servaasbasiliek in de Nederlandse stad Maastricht. Bij het schrijn horen vier kleinere reliekhouders, aangeduid als 'pendanten', die zich sinds 1861 bevinden in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in de Belgische hoofdstad Brussel.
Het reliekschrijn bevat de vermeende relieken (beenderen) van de vierde- of vijfde-eeuwse bisschop Servatius ("Sint-Servaas"), volgens de legende de laatste bisschop van Tongeren en de eerste van Maastricht. Daarnaast bevat de kist relieken van de heilige Martinus van Tongeren, een voorganger van Servatius als bisschop van Tongeren. De aanduiding 'Noodkist' ontleent het schrijn aan het uit de middeleeuwen stammende gebruik om de kist met het gebeente van de beschermheilige van Maastricht in tijden van nood in processie door de stad te dragen. Daarmee meende men oorlogen, belegeringen, ziekten, plagen, hongersnoden en ander onheil te kunnen afwenden. Het schrijn vervult ook tegenwoordig nog een religieuze functie. De Brusselse pendanten, ontdaan van hun relieken, hebben die functie niet meer.[1]
Het eikenhouten, met verguld koper beklede schrijn en de vier bijbehorende reliekhouders in Brussel zijn rijk versierd met smeedwerk, emailleerwerk, bergkristallen en edelstenen. De in romaanse stijl vormgegeven reliëfs stellen onder anderen Jezus, de twaalf apostelen, bisschoppen en engelen voor. Op het schrijn is het laatste oordeel het hoofdthema; bij de pendanten is de betekenis van het afgebeelde minder duidelijk. De Noodkist en de Brusselse pendanten worden gerekend tot de hoogtepunten van de middeleeuwse edelsmeedkunst in de Lage Landen.[2][3]
Geschiedenis
[bewerken | brontekst bewerken]Voor 1160: graf en relieken van Sint-Servaas
[bewerken | brontekst bewerken]Over de periode tot aan het jaar 1160 is niet veel met zekerheid bekend over het graf van Servaas en over zijn relieken. Wel is er gedurende die tijd een orale traditie ontstaan waarin verhalen over het overlijden van Servaas, zijn graf en zijn relieken van generatie op generatie werden doorgegeven. Twee geschiedschrijvers uit die tijd hebben aandacht aan Servatius geschonken. De oudste is de zesde-eeuwse bisschop, hagiograaf en geschiedschrijver Gregorius van Tours. Van zijn hand is de eerste, zeer beknopte beschrijving van het leven van Sint-Servaas, gevolgd door het relaas over de bouw van de eerste, Merovingische kerk. De andere is de benedictijn Jocundus, die in de tweede helft van de elfde eeuw enige tijd verbonden was aan het Kapittel van Sint-Servaas en daar in opdracht van het kapittel de hagiografie van Sint-Servaas schreef.[4] Deze bestaat uit een Vita (levensbeschrijving) en een Miracula (wonderen). Een groot aantal beweringen in de Vita kunnen echter naar het rijk der fabels worden verwezen. Feitelijk creëerde Jocundus de Sint-Servaaslegende.
Volgens Gregorius van Tours overleed de laat-Romeinse bisschop Aravatius/Servatius van de Tungri (Aravatio Tungrorum episcopus) in Maastricht. Daar werd hij begraven langs de Romeinse heerweg, even buiten het castellum. Een latere overlevering plaatste die gebeurtenis in het jaar 384. Gregorius vermeldde over zijn tijdgenoot Monulfus, de toenmalige bisschop van Maastricht, dat deze het lichaam van Servaas had laten opgraven en bijzetten "in een ruimte onder het altaar" (vermoedelijk een crypte) in de door hem gebouwde grafkerk.[5] In de middeleeuwse kerkelijke traditie werd een dergelijke elevatio (verheffing tot de "eer der altaren") beschouwd als een onofficiële heiligverklaring.
Vijf eeuwen na Gregorius berichtte de monnik Jocundus over nóg een elevatio. Die zou zijn verricht door de Maastrichtse bisschop Hubertus (Hubertus van Luik?), in samenwerking met een onbekende bisschop Vulvegisus en in opdracht van een "keizer Karel".[noot 1] Daarbij werd, aldus Jocundus, het ongeschonden lichaam van Servaas ontdekt in de door Monulfus gebouwde grafkelder, tezamen met de drie hemelse doeken, het borstkruis en de sleutel van de heilige, evenals de door Servaas meegebrachte relieken van zijn Tongerse voorgangers. Het lichaam van Servaas werd overgeplaatst in een reliekschrijn, "van binnen verzilverd en van buiten verguld".[noot 2] Deze historisch moeilijk te rijmen gebeurtenissen zouden hebben plaatsgevonden op "de zevende van de iden van juni" (7 juni).[10] Het liturgische feest van de Translatie van Sint-Servaas werd al ten tijde van Jocundus − en nog steeds − gevierd op 7 juni. Op diezelfde dag wordt ook een andere, door Jocundus verhaalde gebeurtenis herdacht: de roof door de Maastrichtenaren van de relieken van Sint-Servaas uit Quedlinburg, na hun gedwongen overbrenging daarnaartoe op bevel van keizer Otto I.[11] Ook dit verhaal mist elke historische grondslag.[noot 3]
In het begin van de elfde eeuw liet proost Geldulfus een compleet nieuwe kerk bouwen. Deze werd in 1039 in het bijzijn van koning Hendrik III door twaalf bisschoppen gewijd, waarbij volgens Jocundus de relieken van Servatius, Monulfus, Gondulfus, Candidus en Valentinus in een stenen kist bij het hoofdaltaar werden geplaatst (vergelijk de relieken genoemd in de paragraaf Noodkistpendanten).[13] Deze kist is waarschijnlijk bewaard gebleven in de vieringscrypte van de kerk. Daar staat op een stenen altaar een beschilderde sarcofaag, die wordt aangeduid als 'sarcofaag van de bisschoppen van Maastricht'. De stenen kist met een schilddakvormig deksel is vermoedelijk laat-Romeins; de primitieve beschildering dateert waarschijnlijk uit de zeventiende eeuw.[noot 4]
Circa 1160-1200: totstandkoming van het schrijn
[bewerken | brontekst bewerken]De twaalfde eeuw was een culturele bloeiperiode in het Luiks-Limburgse Maasland. Ook Maastricht profiteerde mee en beleefde tussen 1140 en 1170 een periode van ongekende bouwactiviteit.[15] Het kapittel van Sint-Servaas was op het toppunt van zijn macht. Verschillende proosten van Sint-Servaas, veelal afkomstig uit de hoogste kringen van de Duitse adel, bekleedden het ambt van kanselier van het Heilige Roomse Rijk.[16] De Duitse koningen en keizers bezochten met regelmaat het graf van Sint-Servaas en deden belangrijke schenkingen aan het kapittel. Onder de proosten Arnold van Wied, Gerard van Are en Christiaan van Buch werden grote delen van de kerk vernieuwd. Het zogenoemde Heimo-atelier, Maaslandse steenbeeldhouwers met Noord-Italiaanse wortels, werkten aan kapitelen en reliëfs, niet alleen in de directe omgeving van Maastricht, maar tot Utrecht, Bonn en Thüringen aan toe.[17] Wolfram von Eschenbach roemde de Maastrichtse (en Keulse) schilders.[18][19] De Maaslandse minnezanger Hendrik van Veldeke schreef zijn Leven van Sint-Servaas en gaf daarmee een nieuwe impuls aan de Servaasdevotie. De Maaslandse edelsmeedkunst bereikte in deze tijd een hoog niveau. Talrijke kerken en kloosters lieten reliekhouders en andere kerkelijke siervoorwerpen maken.[20]
Het was in deze sfeer dat het Sint-Servaaskapittel omstreeks 1160 besloot het gebeente van de patroonheilige over te plaatsen naar een passender en waardiger schrijn. Van de toenmalige proost Gerard van Are is bekend dat hij in 1166 in Bonn, waar hij eveneens proost was, de relieken van drie heiligen vanuit hun stenen sarcofagen liet overplaatsen naar reliekschrijnen. Bij die gebeurtenis was de Keulse aartsbisschop Reinald van Dassel aanwezig, die volgens sommige auteurs eveneens korte tijd proost (of voogd) van de Sint-Servaaskerk was.[21] Wellicht deden Gerard van Are en Reinald van Dassel hetzelfde in Maastricht. Gerards opvolger Christiaan van Buch was eveneens een zeer ondernemend geestelijke.[22] Al deze prelaten komen in aanmerking als mogelijke opdrachtgevers van het nieuwe schrijn voor Sint-Servaas en de bijbehorende reliekhouders.[23]
De Nederlandse kunsthistoricus en specialist in Maaslandse kunst Joseph Timmers meende dat het schrijn van Sint-Servaas tussen 1160 en 1170 werd vervaardigd. Zijn Duitse collega Renate Kroos, auteur van een omvangrijke monografie over het Servatiusschrijn en de Brusselse pendanten, kwam tot de conclusie dat deze kunstvoorwerpen vermoedelijk in twee fasen tot stand waren gekomen en pas tegen het einde van de twaalfde eeuw werden voltooid. Volgens Kroos vond de overbrenging van het gebeente van Sint-Servaas naar de Noodkist plaats tussen 1196 en 1200.[24] Andere kunsthistorici, waaronder de Brit Peter Lasko en de Nederlander Fred Ahsmann, zetten vraagtekens bij deze lange productietijd.[25] De nauw met het Servatiusschrijn verbonden Brusselse reliekhouders zijn volgens Kroos eveneens rond die tijd voltooid. Vermoedelijk is in die periode het koor van de Sint-Servaaskerk voorzien van een uitgebreid programma van wand- en gewelfschilderingen, qua thematiek nauw aansluitend bij het reliekschrijn.[noot 5]
Over de relieken van Martinus van Tongeren, die zich sinds mensenheugenis in de Noodkist bevinden, is weinig bekend. Volgens de elfde-eeuwse legende van Sint-Servaas nam deze de relieken van zijn voorgangers, dus ook die van Martinus, mee toen hij uit Tongeren vertrok. Hun aanwezigheid in het schrijn van Sint-Servaas wordt pas in de eerste helft van de vijftiende eeuw voor het eerst vermeld. Wellicht noemde men het schrijn om die reden ook capsa pontificum of feretrum pontificum (schrijn of smeedwerk van de bisschoppen).[1][27]
Late middeleeuwen: hoogtij Sint-Servaasdevotie
[bewerken | brontekst bewerken]
In de late middeleeuwen (ca. 1270-1500) nam de devotie tot Sint-Servaas een hoge vlucht. Jaarlijks kwamen duizenden bedevaartgangers naar Maastricht om bij het graf van de heilige te bidden en de relieken (waaronder het schrijn van de heilige) te aanschouwen. Het schrijn en de bijbehorende pendanten stonden in deze periode vrijwel zeker op een speciaal daarvoor gebouwd stenen altaar (het summum altare), dat zich in het achterste deel van het hoogkoor bevond. Dit altaar was onderdeel van een volgens Ahsmann unieke koordispositie, waarvan ook de twaalfde-eeuwse muur- en gewelfschilderingen deel uitmaakten. Het middeleeuwse reliekenaltaar is mogelijk pas in 1811 vernietigd, toen de kerk volgens de toenmalige behoeften ingrijpend werd verbouwd. Tekeningen van Martinus van Heylerhoff uit die tijd tonen een groot altaar bestaande uit meerdere onderdelen. Het schrijn en de pendanten waren volgens Ahsmann opgenomen in een rijk versierd retabel, mogelijk aangevuld met andere reliekhouders, zoals de Einhardsboog en het patriarchaalkruis. De zijkanten en het dak van het Servatiusschrijn waren grotendeels aan het oog onttrokken door de capsa, een houten omhulsel, dat beschilderd en verguld was, en alleen op kerkelijke feestdagen werd verwijderd door de custos (schatbewaarder) van de kerk.[28]
Uit 1391 dateren de eerste berichten over de zevenjaarlijkse traditie van de heiligdomsvaart. Bij die gelegenheid werden dagelijks de voornaamste relieken van de Sint-Servaaskerk vanaf de dwerggalerij aan de verzamelde pelgrims op het Vrijthof getoond. De Noodkist was daar uiteraard te groot voor. Pelgrims kregen om die reden bij uitzondering toegang tot het hoogkoor, waar het schrijn getoond werd zonder de capsa. Het was dan zelfs toegestaan om de kist aan te raken.[29] In 1409 werd voor het eerst melding gemaakt van de gewoonte om in tijden van nood in processie met het schrijn langs de kerken en kapellen van de stad te trekken. De aan dat gebruik ontleende benaming Noodkist (Noetkasse)[noot 6] is nog ouder, voor het eerst vermeld in 1405.[30][31] Berichten over 'noodprocessies' zijn er ook uit 1445, 1475, 1488, 1519, 1529, 1543, 1550, 1587, 1628, 1676 (twee maal) en 1677.[noot 7]
Nieuwe tijd: achteruitgang Sint-Servaasdevotie
[bewerken | brontekst bewerken]
Door de Reformatie en de voortdurende oorlogsdreiging nam het aantal bedevaartgangers naar Maastricht in de zestiende eeuw sterk af. Wel vonden na 1579, in de tijd van de rekatholisering, talrijke 'noodprocessies' plaats.[32] Nadat de stad in 1632 in handen was gekomen van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (voor een deel althans; de stad bleef tot 1794 tweeherig), was het tonen van de Noodkist en het houden van processies buiten de claustrale singel van de kerk niet langer toegestaan.[33] In 1634 zag men zich vanwege aanhoudende oorlogsdreiging genoodzaakt een groot deel van de kerkschat in veiligheid te brengen bij het Luikse kapittel van Sint-Lambertus. Het schrijn van Sint-Servaas bleef in Maastricht, maar zijn relieken − die men klaarblijkelijk hoger achtte dan de kist − werden in een kleinere kist mee naar Luik gestuurd. Pas in 1654 keerden ze terug. In 1676, tijdens de Hollandse Oorlog, werd het schrijn op aandringen van de magistraat in veiligheid gebracht in de crypte.[34]
Meestal stond de kist in deze periode op het eerder vermelde stenen reliekenaltaar op het hoogkoor, in de loop van de zeventiende eeuw echter zonder capsa, die na 1627 niet meer genoemd wordt.[35] Uit 1668 dateert de eerste vermelding van de noodkistpendanten door Godefridus Henschenius, die ze beschrijft als reliekhouders van Monulfus, Gondulfus, Candidus en Valentinus. Uit een Franstalige beschrijving van de kerk uit 1744 valt op te maken dat de pendanten naast het Servatiusschrijn op het kooraltaar stonden.[36]
Negentiende eeuw: herleving Sint-Servaasdevotie
[bewerken | brontekst bewerken]In de Franse tijd (1794-1814) werd het Sint-Servaaskapittel opgeheven. De kapittelkerk kreeg een herbestemming als militair magazijn en een groot deel van de kerkinventaris werd verkocht of vernield. De Noodkist werd enige tijd verborgen − door wie en waar is niet bekend − en verbleef daarna in de Dominikanenkerk, waar de parochie tijdelijk onderdak had gevonden. In 1805 keerde het schrijn terug naar de opnieuw in gebruik genomen Sint-Servaaskerk, die nu parochiekerk werd. In 1811-1812, nog in de Franse tijd, werd de kerk inwendig verbouwd. Daarbij werd de vieringscrypte gesloopt, het hoogkoor verlaagd en het altaar voor de Noodkist afgebroken. Het schrijn stond een tijd lang opgesteld in de Sint-Jozefkapel, een zijkapel grenzend aan de zuidbeuk. Het werd in die tijd (opnieuw) afgeschermd door een houten omhulsel, dat alleen op kerkeklijke feestdagen werd verwijderd.
De vier bij het Servatiusschrijn behorende reliekhouders werden in 1846 door pastoor Van Baer verkocht − mogelijk via tussenpersonen − aan de Russische prins Peter Soltykoff (of Saltykov), een gedreven verzamelaar van middeleeuwse kunstvoorwerpen. Van de opbrengst werd een nieuwe processiehemel aangeschaft.[noot 8] Bij de veiling van de collectie Soltykoff in 1861 toonde het Maastrichtse kerkbestuur geen belangstelling voor terugkoop van de pendanten,[noot 9] waarna ze in de collectie van het Brusselse Jubelparkmuseum (thans Museum Kunst & Geschiedenis) terechtkwamen.[42] In 1907 publiceerde jhr. Victor de Stuers een artikel, waarin de kwalijke gang van zaken rondom de verkwanseling van de pendanten uit de doeken werd gedaan.[43]

Een belangrijk keerpunt in de herwaardering van de kerkschat was de publicatie in 1872 van de Duitstalige studie Die mittelalterlichen Kunst- und Reliquienschätze zu Maestricht door de Akense kanunnik en kunsthistoricus Franz Bock en de Maastrichtse kapelaan Michaël Willemsen, een jaar later gevolgd door een Franstalige versie en in 1874 afgesloten met een Nederlandstalige samenvatting.[44] In diezelfde periode verhuisde de kerkschat naar een nieuw ingerichte schatkamer, ontworpen door Pierre Cuypers en gesponsord door de industrieel Petrus (I) Regout. Door dit alles kwamen de Noodkist en de andere kerkschatten opnieuw in het middelpunt van de belangstelling te staan.[45] Tekenend voor de veranderde geest was het besluit van de toenmalige pastoor-deken Rutten om in 1888 kopieën te bestellen van de noodkistpendanten, die enkele decennia eerder door zijn voorganger waren verkocht.[41]
Eind negentiende en begin twintigste eeuw onderging de Servaaskerk een ingrijpende restauratie onder leiding van architect Cuypers. Hierbij werden de desastreuse ingrepen van 1811 deels teruggedraaid. Het hoogkoor en de daaronder gelegen crypte werden herbouwd. Het middeleeuwse altaar voor de Noodkist, dat eveneens in 1811 was gesloopt, werd daarentegen niet hersteld. In plaats daarvan bedacht Cuypers een historiserende opstelling, waarvan zowel het schrijn van Servatius als de kopieën van de pendanten deel uitmaakten, en daarnaast de in 1890 opgegraven elfde-eeuwse cenotaaf van Monulfus en Gondulfus. Dit devotionele ensemble kreeg een ereplaats in de apsis van de kerk, achter het in 1891 gereedgekomen neoromaanse hoogaltaar. De sokkel voor de Noodkist was zodanig geconstrueerd dat men er in aanbidding onderdoor kon lopen, naar het voorbeeld van sommige middeleeuwse kerken; een situatie die in Maastricht nooit had bestaan. De Cuypersconstellatie zou volgens Renate Kroos ongeveer 35 jaar standhouden (ca. 1895-1929), hoewel er geen foto's van bewaard zijn gebleven.[noot 10] Fred Ahsmann is van mening dat het plan van Cuypers niet werd uitgevoerd.[47]
Twintigste en eenentwintigste eeuw: voorwerp van devotie en kunstschat
[bewerken | brontekst bewerken]In aanloop naar de Heiligdomsvaart van 1916 werd de Broederschap van Sint Servaas opgericht, waarvan de leden als beschermers en dragers van de Noodkist optreden. In 1929 werd een voormalig Vrijthofportaal ingericht als devotiekapel voor het schrijn, dat dwars in de kapel werd geplaatst, met de Pauluszijde naar voren.[noot 11] Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog stond het schrijn weer korte tijd op het hoogkoor, vanaf 1941 in de crypte en in de jaren 1950 in het Bergportaal. Later verhuisde de kist naar de oude schatkamer, tegenwoordig in gebruik als dagkapel (zie Sint-Servaaskapel).
In 1960-1962 werd de Noodkist door Edelsmidse Brom uit Utrecht gerestaureerd, een restauratie die door sommige experts sterk werd bekritiseerd.[noot 13] Na de restauratie kreeg het schrijn een plaats in de vieringscrypte. Daar stond de kist op een marmeren plaat, ondersteund door vier hoge zuiltjes en afgeschermd door een glazen omhulsel. In feite was dit dezelfde, door Cuypers bedachte opstelling voor het hoogkoor; men kon dus nog steeds onder het schrijn door lopen. In de jaren 1970 stond de kist weer in de (oude) schatkamer.[49]
In 1972, tijdens de grote tentoonstelling Rhein und Maas in Keulen (later dat jaar in Brussel te zien als Rhin-Meuse / Rijn en Maas), was het complete ensemble van Noodkist en (originele) pendanten nog eenmaal in de veronderstelde oorspronkelijke opstelling te zien.[noot 14] Het was de laatste keer dat het schrijn Maastricht verliet. Het museum in Brussel leende de Maastrichtse pendanten incidenteel uit. Zo waren de twee exemplaren met bisschoppen in een halfronde nis in 1985 te zien in de tentoonstelling Schatkamers uit het Zuiden in het Museum Catharijneconvent in Utrecht.[51] Diezelfde pendanten waren in 2010-2011 onderdeel van de reizende tentoonstelling Treasures of Heaven in het Cleveland Museum of Art in Cleveland, het Walters Art Museum in Baltimore en het British Museum in Londen.[52][noot 15]
Van 1979 tot 1993 werd de Sint-Servaaskerk opnieuw gerestaureerd, waarbij onder andere een nieuwe schatkamer werd gerealiseerd. De vraag of de inwendige decoratie van de kerk uit de tijd van Cuypers moest worden gehandhaafd, hield de gemoederen in Maastricht jarenlang bezig.[54] Enkele spectaculaire archeologische vondsten door stadsarcheoloog Titus Panhuysen deden de belangstelling voor de kerk en zijn schatkamer nog toenemen.[55] Een door schatbewaarder Sigismund Tagage verzorgd maandelijks informatiebulletin hield belangstellenden op de hoogte. Er verschenen belangrijke studies over de kerkschatten, waaronder monografieën over het Servatiusschrijn (Renate Kroos, 1985), de Servatiana (A.M. Koldeweij, 1985) en de middeleeuwse textielschat (Annemarie Stauffer, 1991). De student Fred Ahsmann schreef in deze tijd zijn doctoraalscriptie over de grotendeels verdwenen wand- en gewelfschilderingen in het koor. Het onderwerp zou hem niet loslaten en na een onderbreking van vele jaren verscheen in 2017 een rijk geïllustreerd boek over de middeleeuwse inrichting van het koor, waarbij de iconografische verbanden tussen het schrijn, de pendanten en de koorschilderingen veel aandacht kregen.
Vanaf 1982 vonden de Noodkist en de kopieën van de Brusselse pendanten onderdak in de nieuwe schatkamer in de Dubbelkapel, waar ze een ereplaats kregen op de benedenverdieping. Daar zouden ze bijna veertig jaar lang een trekpleister vormen voor de kerk en de stad Maastricht.[56] Tijdens de coronapandemie besloten deken Dautzenberg en het kerkbestuur dat het schrijn niet thuishoorde in een museale omgeving, maar terug moest keren in de kerk, liefst in de nabijheid van het altaar. In november 2020 verhuisde het ensemble naar het noordertransept van de kerk.[57] Het reliekschrijn staat in een beveiligde glazen vitrine op een speciaal daartoe vervaardigd podium, waarin ook vitrines voor de pendanten zijn opgenomen en waarop tekstborden met uitleg zijn bevestigd.
Beschrijving Noodkist
[bewerken | brontekst bewerken]De Noodkist is een vrijwel rechthoekige eikenhouten kist met een zadeldak, waarvan alle buitenzijden zijn bekleed met verguld koper. De vorm van de kist verwijst naar het 'hemelhuis'.[noot 16] Het schrijn weegt inclusief de inhoud ongeveer 220 kg. De lange zijden van de kist worden, naar de heiligen die erop afgebeeld zijn, respectievelijk Petruszijde en Pauluszijde genoemd. De Petruszijde is met 174,5 cm bijna een centimeter korter dan de Pauluszijde, die 175,3 cm meet. De korte zijden heten Christuszijde en Servaaszijde en worden vaak aangeduid als gevelstukken, vanwege hun gelijkenis met puntgevels. De Christuszijde is 46,5 cm breed en de Servaaszijde 45,9 cm. Ook qua hoogte is er een (geringe) afwijking tussen de Christuszijde van 73,6 cm en de Servaaszijde van 73,8 cm. Rondom de gevelstukken en over de nok van het schrijn loopt een circa 3,5 cm brede kam (sierrand). Deze is bij de hoogte van de kist niet meegerekend.[59][noot 17]
Edelsmeedtechnieken
[bewerken | brontekst bewerken]
Het schrijn is bekleed met koperplaten, waarin door middel van hamer- en drijfwerk reliëfvoorstellingen zijn aangebracht. De hoogreliëfs zijn uit brons gegoten. Bij het modelleren van de grotere figuren is gebruikgemaakt van een wasachtige vulmassa, die het giet- en drijfwerk een zekere stabiliteit geeft. Na het bewerken is het koper verguld. Het schrijn is verder versierd met onder andere stanswerk, filigraan- en pointilleerwerk, emailleerwerk (champlevé of groevenemail), bruinvernis, bergkristallen, edelstenen, cabochons, antieke gemmen en een laat-Romeinse camee.[61][62]
Uit kunsthistorische analyse van het smeedwerk is gebleken dat er minstens twee kunstenaars aan het schrijn gewerkt hebben. Een van hen gaf zijn figuren meer individuele trekken mee. Ook zijn er verschillen waar te nemen in de kwaliteit van het bruinvernis.[62] Over de identiteit van de meesteredelsmeden is niets met zekerheid te zeggen. Dat geldt ook voor de door meerdere auteurs genoemde Godfried van Hoei, ook wel Godefroid de Claire genoemd.[63][noot 18]
- Detail Christuszijde met o.a. drijfwerk, filigraan en email
- Drijfwerk, pointilleerwerk, bruinvernis
- Gietwerk, filigraan, bruinvernis, cabochons en een camee
- Drijfwerk, pointilleerwerk, gestanste kam, bergkristallen
Iconografie
[bewerken | brontekst bewerken]De talrijke reliëfs op de Noodkist verbeelden iconografisch het laatste oordeel. Christus en Sint-Servaas, afgebeeld op de gevelstukken, spelen daarbij de hoofdrol. De twaalf apostelen op de lange zijden van het schrijn zijn hier mederechters.[noot 19] De lange zijden worden genoemd naar de twee apostelen die direct grenzend aan het Christuspaneel zijn afgebeeld: aan de rechterzijde is dat Petrus, de "eerste onder de apostelen", later de eerste paus, en aan de linkerzijde Paulus, de later toegetreden apostel, ook wel "apostel der heidenen" genoemd. Beide lange zijden worden met elkaar verbonden door een doorlopende tekst die in bruinvernis is aangebracht onder de nissen waarin de apostelen zijn gezeten. Deze tekst is een parafrase van een vers uit het Evangelie volgens Matteüs, dat verwijst naar het laatste oordeel, waarbij de apostelen als mederechters zullen optreden.[noot 20]
De dakvlakken die corresponderen met de Petrus- en Pauluszijde worden respectievelijk Misericordiazijde en Veritaszijde genoemd, naar de personificaties van het medelijden (Misericordia) en de waarheid (Veritas). Op het dak zijn reliëfs van de uitverkorenen en de verdoemden te zien, omringd door engelen. Op de boven- en onderranden van de dakvlakken, doorlopend aan beide zijden van het schrijn is opnieuw een tekst uit het Matteüsevangelie aangebracht, hoofdstuk 25 vers 35-45. De juiste lezing ervan, in de goede volgorde, is van essentieel belang voor het begrijpen van de afgebeelde reliëfs.[noot 21] Daartussen moeten voor een goed begrip de vragen van de rechtvaardigen en onrechtvaardigen op de banderollen gelezen worden (zie hieronder). Het gebruik en de interpretatie van deze teksten is ontleend aan de gangbare theologische inzichten in de twaalfde eeuw, met name aan de geschriften van Rupert van Deutz.[66]
Christuszijde
[bewerken | brontekst bewerken]Aan de Christuszijde is de tronende Christus afgebeeld als opperste rechter (Majestas Domini). In zijn rechterhand houdt hij een wereldbol, in zijn linkerhand, steunend op zijn knie, een opengeslagen boek met een Bijbeltekst waarin zijn wederkomst als beloner van de rechtvaardigen wordt aangekondigd. De tekst sluit aan bij het hoofdthema van het schrijn, het laatste oordeel.[noot 22] Achter zijn troon en onder zijn voeten vloeit water. De Christusfiguur wordt geflankeerd door twee levensbomen, elk zes vruchten dragend, en een Alfa en Omega ter hoogte van zijn schouders.[noot 23] Het tafereel is afgebeeld onder een met filigraan en edelstenen versierde drielobboog. Deze wordt omgeven door een drietal sierranden, van binnen naar buiten: een rand met geciseleerd gebladerte en ranken, een tekstband in bruinvernis,[noot 24] en een rand met afwisselend filigraanplaatjes met ingelegde edelstenen en champlevéplaatjes met verschillende patronen en kleuren, symmetrisch gerangschikt. Daaromheen bevindt zich aan vier zijden een gegoten kam, die circa 3,5 cm buiten het gevelvlak uitsteekt en versierd is met palmetten.[69][70] De kam, die om praktische redenen aan de onderzijde van de kist ontbreekt, is bij de restauratie in 1960-62 geheel vernieuwd.[71]
- Christuszijde
- Christus als Majestas Domini
- Detail Christus
- Gevelbekroning
Servaaszijde
[bewerken | brontekst bewerken]Op het tegenoverliggende gevelstuk staat Sint-Servaas afgebeeld, geflankeerd door twee, iets kleiner weergegeven engelen.[noot 25] Servaas is gekleed in zijn bisschopsgewaad, met pallium[noot 26] en mijter.[noot 27] De zomen van het gewaad, het pallium en de mijter waren oorspronkelijk rijkversierd met filigraan en edelstenen, maar daarvan ontbreken nu delen. De bisschop toont zijn handpalmen als in gebed. De linker engel hield oorspronkelijk een bisschopsstaf vast. Deze is verwijderd tijdens de restauratie van 1960-62 (onterecht, volgens Kroos en Ahsmann). De rechter engel houdt een opengeslagen boek vast met een tekst die ook hier verwijst naar het thema van het laatste oordeel, zoals uitgebeeld op de dakreliëfs, waar engelen hemelse gewaden uitreiken aan de rechtvaardigen.[noot 28] De drie figuren staan ook hier onder een drielobboog, omgeven door dezelfde sierranden en een gegoten sierkam, die in dit geval oorspronkelijk is (zie Christuszijde). De tekst in bruinvernis op de middelste sierrand verwijst naar Sint-Servaas, zijn Tongerse herkomst en zijn relieken in Maastricht.[noot 29][76][77]
- Servaaszijde
- Detail Sint-Servaas
- Detail engel met open boek
- Detail geveltop
Petruszijde
[bewerken | brontekst bewerken]
Aan de Petruszijde worden zes zittende apostelen getoond, paarsgewijs gegroepeerd onder een dubbele arcade binnen een diepliggende, rechthoekige omlijsting. De dubbele arcades worden ondersteund door vierkante pijlers of pilasters. Van elk paar kijkt één figuur recht voor zich uit; de ander kijkt hem min of meer aan. Van links naar rechts zijn afgebeeld: Petrus en Andreas, Matteüs en Tomas, en Judas Taddeüs en Simon.[noot 30] De apostelen zijn vormgegeven als gegoten bronzen hoogreliëfs, bijna vrijstaande beeldhouwwerkjes binnen een holle nis. In elke nis staat de naam van de betreffende apostel in reliëf vermeld. Allen, op Petrus na, houden een banderol vast met een korte Bijbeltekst.[noot 31] De zitbanken zijn in enkele gevallen gedecoreerd met filigraanwerk of bruinvernis. Alleen de banken van Petrus en Simon zijn voorzien van een rugleuning.[79][80]
Op het 'dak' zijn aan de Misericordiazijde de uitverkorenen afgebeeld in drie medaillons. Onder hen bevinden zich mannen en vrouwen, priesters, kloosterlingen en leken.[81] Ze houden banderollen vast waarop teksten staan uit het Matteüsevangelie; deze teksten moeten gelezen worden in samenhang met de langere teksten op de boven- en onderrand van de beide dakvlakken.[noot 32] Naast de medaillons bevinden zich in laagreliëf afgebeelde engelen met bazuinen, engelen die hemelse gewaden uitreiken aan de rechtvaardigen (aangeduid als IVSTI) en de engel Misericordia die hen kronen aanreikt.[82][80]
- Petrus en Andreas
- Matteüs en Tomas
- Judas Taddeüs en Simon
- Detail arcade
- Dakpaneel: medaillon met uitverkorenen (zij die de hongerigen hebben gevoed)
- Dakpaneel: medaillon met uitverkorenen (zij die de vreemdelingen onderdak hebben gegeven)
- Dakpaneel: medaillon met uitverkorenen (zij die de naakten hebben gekleed)
- Dakpaneel: Misericordia reikt kronen uit aan uitverkorenen
Pauluszijde
[bewerken | brontekst bewerken]
De andere lange zijde van het schrijn, de Pauluszijde, is op een vergelijkbare wijze ingedeeld als de Petruszijde. Hier, ter linkerzijde van Christus, zijn de overige zes apostelen afgebeeld, eveneens twee aan twee: Paulus en Jakobus de Meerdere, Johannes en Bartolomeüs, en Jakobus de Mindere en Filippus. Ook hier worden de apostelen met naam aangeduid en dragen allen, met uitzondering van Paulus en Filippus, een banderol met een (deel van een) Bijbeltekst.[noot 33][79][80]
Op het dak zijn ook hier, aan de Veritaszijde, drie medaillons aangebracht, nu met afbeeldingen van de verdoemden. Dezen stellen min of meer dezelfde vragen als de uitverkorenen op de Misericordiazijde, echter nu met de toevoeging van het woordje NON (niet). De kleur van de banderollen is donkerder dan aan de andere kant. De teksten moeten ook nu weer gelezen worden in samenhang met de langere tekst op de dakranden. Naast en tussen de medaillons zijn engelen met bazuinen te zien, de engel Veritas die de goede werken (aangeduid als BONA OPERA) van de verdoemden weegt (aangeduid als MALEDICTI) en engelen die hen het doopkleed ontnemen.[82][80]
- Paulus en Jakobus de Meerdere
- Johannes en Bartholomeüs
- Jakobus de Mindere en Filippus
- Detail van Johannes
- Dakpaneel: medaillon met verdoemden (zij die de hongerigen niet hebben gevoed)
- Dakpaneel: medaillon met verdoemden (zij die de vreemdelingen geen onderdak hebben gegeven)
- Dakpaneel: medaillon met verdoemden (zij die de naakten niet hebben gekleed)
- Dakpaneel: Veritas weegt de daden der verdoemden
Inhoud Noodkist
[bewerken | brontekst bewerken]De Noodkist is bij verschillende gelegenheden geopend. Hoe vaak dit in de middeleeuwen gebeurde, is niet bekend. Omstreeks 1403 werd een deel van de aan Sint-Servaas toegeschreven schedel uit het schrijn verwijderd, die vervolgens in een zilveren reliekbuste werd geplaatst (zie borstbeeld van Sint-Servaas). In 1554, 1611, 1634 en 1655 werd de kist opnieuw geopend en de inhoud gedocumenteerd. Er werden relikwieën aangetroffen, die volgens de bijgevoegde attesten (cedulae of schedulae genoemd) van zowel Servaas als Martinus van Tongeren zouden zijn. Van laatstgenoemde bisschop, over wie vrijwel niets bekend is, zou in 1611 het volledige lichaam zijn aangetroffen.[83] Sommige relieken waren in kostbare oosterse stoffen gewikkeld. Enkele uit het schrijn afkomstige stoffen, waaronder de zogenoemde albe van Sint-Servaas (herkomst onbekend, middeleeuws) en de grafdoek van Sint-Martinus van Tongeren (Rijn-Maasgebied, begin twaalfde eeuw), behoren tot de hoogtepunten van de textielschat van de Sint-Servaaskerk.[noot 34] Na 1655 bleef de kist meer dan twee eeuwen gesloten.

Pas in 1863 werd de inhoud van het schrijn aan een zorgvuldig onderzoek onderworpen, waarbij de inhoud sinds 1611 onveranderd bleek. Aangetroffen werden vijf pakketjes, verpakt in zijde, linnen of leer, die met leren bandjes aan de binnenkant van de kist waren bevestigd.[noot 35] Aan elk pakket was een loden plaatje of een strookje perkament (cedula) bevestigd met een Latijnse tekst, ter identificatie van de relieken. In het eerste bevonden zich kledingstukken, waarvan geloofd werd dat ze van Servaas waren geweest, in het tweede 29 beenderen, volgens de cedula van Martinus van Tongeren, in het derde de vermeende 'as' (vergane botresten) van het lichaam van Servaas, in het vierde een groot en diverse kleinere beenderen, volgens de cedula van Servaas, en in het vijfde wederom as en kleine beenderen, eveneens toegeschreven aan Servaas.[noot 36] De relieken werden na enkele dagen onderzoek in de oorspronkelijke oude, en in sommige gevallen nieuwe zijden stoffen gewikkeld, voorzien van het bisschoppelijke zegel en teruggeplaatst in de kist. Het door de aanwezigen ondertekende protocol van de reliekeninspectie werd toegevoegd, waarna het schrijn aan de vier hoeken werd verzegeld.[88][89]
In verband met de op handen zijnde restauratie werd de kist in januari 1958 opnieuw geopend om de relieken tijdelijk te verwijderen. Het openen gebeurde door het schrijn op zijn kant te leggen en de onderkant te verwijderen. De reliekenpakketjes werden na inspectie door bisschop Hanssen van Roermond overgeplaatst in een kleinere, ruwhouten kist, die daarna werd verzegeld.[noot 37] In 1961 werd de inhoud ervan opnieuw gecontroleerd. Ditmaal werden enkele relieken verwijderd voor nader onderzoek, waaronder een fragment van een aan Martinus van Tongeren toegeschreven dijbeen. Nadat de restauratie van het schrijn begin 1962 was voltooid, werd de ruwhouten reliekenkist teruggeplaatst. In 1963 werd het genoemde reliek van Martinus onderzocht door de afdeling Isotopenfysica van het Natuurkundig Laboratorium van de Rijksuniversiteit Groningen. Door middel van een C14-datering kon met 95% zekerheid worden vastgesteld dat dit bot had toebehoord aan een persoon die in de vijfde of zesde eeuw had geleefd. Dat zou betekenen dat hij na Servaas leefde en niet ervoor, zoals werd aangenomen.[91] Of de andere beenderen die in 1961 waren verwijderd ook zijn onderzocht, is niet bekend.
De laatste keer dat het schrijn werd geopend was op 21 september 1985, toen hulpbisschop Castermans een reliek afkomstig uit een klooster in Koblenz bijplaatste.[92] Op foto's is te zien dat de relieken zich toen bevonden in de eenvoudige kist waarin ze in 1958 waren opgeborgen. Niet bekend is of de binnenwanden van de Noodkist bekleed zijn. De bodem is dat in elk geval niet, zoals op beelden uit 1958 en 1985 is te zien.[93]
Op het dijbeenfragment na, dat aan Martinus van Tongeren wordt toegeschreven, zijn de in het schrijn bewaarde beenderen voor zover bekend nooit wetenschappelijk gedateerd. De toeschrijving aan de laat-Romeinse bisschoppen Servaas en Martinus is om die reden een kwestie van geloof. De zes textielfragmenten, waarvan vaststaat dat ze afkomstig zijn uit de Noodkist, zijn wel wetenschappelijk onderzocht.[noot 38] Vier van de zes weefsels dateren uit de tiende of elfde eeuw. De zogenaamde albe van Sint-Servaas is middeleeuws, maar kon niet nader worden gedateerd. Het oudst is een Byzantijns zijdeweefsel uit de zevende of achtste eeuw, dat ook wel bekend staat als dioskourenstof. Daarmee staat in elk geval vast dat geen van de stoffen uit de Noodkist uit de tijd van bisschop Servatius stamt.[95]
Noodkistpendanten
[bewerken | brontekst bewerken]Brusselse originelen
[bewerken | brontekst bewerken]In het Brusselse Museum Kunst & Geschiedenis, onderdeel van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis (KMKG), bevinden zich sinds 1861 vier oorspronkelijk bij het Servatiusschrijn behorende reliekgevels of -tafels.[noot 39] Deze verguld koperen reliekhouders uit de tweede helft van de twaalfde eeuw worden in de vakliteratuur meestal aangeduid als noodkistpendanten of Brusselse pendanten. Ze zijn iets kleiner (56 × 33 cm) dan de gevelstukken van de Noodkist, maar hebben dezelfde vorm en zijn op een vergelijkbare wijze bewerkt en versierd met drijf- en gietwerk, email champlevé en bruinvernis, omgeven door een gegoten kam (sierrand) en bekroond door pijnappels of bloemvormige ornamenten.[100] Ze bevatten tot 1846 relieken van de heilige bisschoppen Monulfus, Gondulfus, Candidus en Valentinus, die mogelijk pas in de zeventiende eeuw waren toegevoegd en voorafgaand aan de verkoop in 1846 werden verwijderd.[101] Bij twee reliekgevels zijn aan de achterkant de opbergkastjes voor de relieken nog aanwezig; bij de andere zijn ze verwijderd. In 1972, ten tijde van de tentoonstelling Rijn en Maas, zijn ze uitgebreid gefotografeerd door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK), en in 1996 opnieuw, tijdens en na een restauratie.[102]
Maastrichtse kopieën
[bewerken | brontekst bewerken]De Sint-Servaaskerk bezit sinds 1888 verguld koperen kopieën van de Brusselse pendanten, vervaardigd in het atelier van de firma Wilmotte in Luik.[41] Tussen circa 1895 en 1930 maakten deze deel uit van de door Cuypers bedachte kooropstelling (zie hierboven). Daarna verhuisden ze naar de schatkamer, waar ze tot 2020 waren te zien, tot ze deel gingen uitmaken van de huidige opstelling van de Noodkist in het noordertransept van de kerk. Een tweede set kopieën werd vermoedelijk al eerder vervaardigd. Deze monochrome, niet-vergulde panelen zijn opgenomen in een neoromaans reliekschrijn, dat zich anno 2026 in de schatkamer bevindt.
Iconografie en stijlkenmerken
[bewerken | brontekst bewerken]De reliektafels A en B[noot 40] lijken sterk op elkaar: op beide panelen kijkt een bisschop vanuit een boogvormige nis (een grafkelder?) omhoog naar een engelenpaar dat de voor hem bestemde hemelkroon krijgt aangereikt door de hand van God. In de traditionele opvatting, gepropageerd door de zeventiende-eeuwse bollandisten Henschenius en Papebrochius, stellen dit de Maastrichtse bisschoppen en kerkenbouwers Monulfus en Gondulfus voor. Deze interpretatie, wellicht ingegeven door het feit dat deze bisschoppen vaak tezamen worden afgebeeld en dezelfde naamdag hebben, is door onder andere Kroos en de KMKG overgenomen.[noot 41] Mekking en Ahsmann zijn ervan overtuigd dat dit donorportretten van de twaalfde-eeuwse aartsbisschoppen Christiaan I van Buch en Reinald van Dassel zijn.[noot 42] De boogrondingen van beide nissen bevatten ingegraveerde Latijnse teksten die, zo blijkt uit de context, door de engelen worden uitgesproken.[noot 43] De taferelen met bisschoppen en engelen zijn op paneel A en B onder een drielobboog geplaatst, omgeven door een drietal sierranden en een gegoten kam, bekroond door een pijnappel. De binnenste rand in bruinvernis is op beide panelen versierd met ranken en gebladerte, eindigend in de puntgevel met een heraldische figuur: bij pendant A een adelaar in een medaillon, bij pendant B eikenloof. De betekenis daarvan is onduidelijk.[109]

Op een derde reliektafel, aangeduid als pendant C, is een tronende priester afgebeeld met een gesloten boek en een palmtak. Volgens het opschrift is dit de heilige Candidus, de opvolger van Servatius, hoewel volgens Heriger van Lobbes nooit tot bisschop gewijd. Problematisch aan deze toeschrijving is de palmtak die de heilige vasthoudt, het attribuut van een martelaar.[noot 44] De kam van deze pendant lijkt sterk op die van de Noodkist. De vierde reliektafel, pendant D, heeft een ongewone compositie en betreft wellicht een latere assemblage, waarvan delen wel twaalfde-eeuws kunnen zijn.[96] Het frontonachtige reliëf toont het portret van een heilige bisschop, dat vanouds wordt geïdentificeerd met Valentinus, bisschop van Tongeren, die zijn naamdag deelt met Candidus. De moeilijk leesbare inscriptie verwijst echter naar Gondulfus. De vijf geëmailleerde plaatjes zijn in vierpasmotief op een gegraveerde achtergrond met engelen gemonteerd. De emailplaatjes tonen engelen die enkele van de zeven deugden voorstellen: in het midden Veritas (waarheid; behoort niet tot de klassieke deugden), bovenaan Spes (hoop), daarna klokgewijs Caritas (liefdadigheid), Fides (geloof) en Iusticia (gerechtigheid). De emailplaatjes zijn bevestigd op een vlakke achtergrond van vier aan elkaar bevestigde koperplaten, elk met een gegraveerd halfportret van een engel. Kroos meent dat de koperplaten uit omstreeks 1200 dateren; volgens Ahsmann zijn ze achttiende-eeuws.[109]
De overeenkomsten met de Noodkist zijn groot, zowel qua stijl als uitvoering. Zo is er nauwelijks verschil in vormgeving tussen de bisschoppen op de pendanten en de apostelen op de Noodkist. De gegoten kam rondom drie van de vier reliekgevels is vrijwel identiek met die rondom de gevelstukken van de Noodkist. Ook de toegepaste technieken op de sierranden zijn vergelijkbaar, met name het bruinvernis.[100] Alleen pendant D wijkt af: de kam heeft een iets andere vormgeving en het bruinvernis ontbreekt. Andere stilistische overeenkomsten betreffen het gebruik van de drielobboog (korte zijden Noodkist en pendanten A en B) en de plaatsing van figuren in hoogreliëf binnen een holle nis (lange zijden Noodkist en pendanten A en B). Ahsmann merkte ook verschillen op tussen A en B, waardoor ze moeilijk van dezelfde hand kunnen zijn. B is volgens hem inferieur vergeleken met A. Mogelijk is B later gewijzigd.[109]
Stilistisch zijn de noodkistpendanten niet alleen verwant met de Noodkist, maar evenzeer met het Akense Karelsschrijn (Karlsschrein), het reliekschrijn van Karel de Grote.[111] Daarover meer in de paragraaf Kunsthistorische analyse.
- Pendant A (kopie), Maastricht
- Pendant B, Brussel
- Pendant C, Brussel
- Pendant D, Brussel
Opstelling Noodkist en pendanten
[bewerken | brontekst bewerken]Onder deskundigen bestaat geen consensus over de historische koordispositie van de Sint-Servaaskerk, de inrichting van het priesterkoor, en met name de oorspronkelijke opstelling van de Noodkist en de bijbehorende reliekhouders. Binnen deze 'richtingenstrijd' bestaan twee hoofdrichtingen, die vertegenwoordigd worden door de Duitse kunsthistorica Renate Kroos en haar Nederlandse vakgenoot Fred Ahsmann. Van Kroos verscheen in 1985, na jaren van bronnenonderzoek, het standaardwerk over het Servatiusschrijn en de Brusselse reliekhouders. Ahsmann publiceerde in 2017 een veelomvattende studie naar de koordispositie van de twaalfde-eeuwse Sint-Servaaskerk. Hun visies worden hieronder gepresenteerd.
Historische koordispositie (volgens Kroos)
[bewerken | brontekst bewerken]Beide kunsthistorici zijn het erover eens dat het schrijn en de pendanten na hun voltooiing een plaats kregen op een speciaal daarvoor gebouwd reliekenaltaar op het hoogkoor van de Sint-Servaaskerk (zie tekening Van Heylerhoff). Over de historische oriëntering van het schrijn en het aantal pendanten dat het vergezelde, verschillen de meningen. Renate Kroos was ervan overtuigd dat de Christuszijde van het schrijn (door Ahsmann Majestaszijde genoemd) naar het westen was gekeerd, zodat deze altijd zichtbaar was voor de in de koorbanken gezeten kanunniken en het kerkvolk elders in de kerk.[noot 45] Volgens Kroos zou het in de middeleeuwse context ongehoord zijn geweest om het schrijn zo neer te zetten, dat de meest eervolle plaats (aan de voorzijde) toekwam aan Sint-Servaas, de dienaar, en dat Christus, de meester, naar de achterkant werd verbannen. Een tekening uit 1628 die het schrijn met de Servaaszijde naar het westen toonde, was volgens haar een latere wijziging, een corruptie van de oorspronkelijke opstelling. Kroos volgde Bock en Willemsen, Cuypers en de Maastrichtse amateurhistorici Van Heylerhoff en Van Gulpen in hun identificatie van de noodkistpendanten als zijnde portretten van bisschoppen van Tongeren-Maastricht.[noot 46] Dat de pendanten A en B, met de twee uit het graf omhoogkijkende bisschoppen, Monulfus en Gondulfus voorstellen, leed volgens haar geen twijfel: van alle Maastrichtse bisschoppen waren zij de enigen die volgens de legende uit hun graf waren opgestaan. Kroos meende dat de vier pendanten twee aan twee aan de voor- en achterkant van de Noodkist stonden opgesteld, waardoor de afgebeelde bisschoppen min of meer in chronologische volgorde waren te zien.[113]
Het geheel was geplaatst op het door Van Heylerhoff getekende reliekenaltaar en zag er vanuit de kerk gezien als volgt uit:
Historische koordispositie (volgens Ahsmann)
[bewerken | brontekst bewerken]Fred Ahsmann bepleitte een andere visie op de middeleeuwse koorinrichting van de Sint-Servaaskerk, deels in navolging van de Leidse hoogleraar Aart Mekking.[noot 47] Daarmee samenhangend is de afwijkende oriëntering van de Noodkist, waarbij de Sint-Servaaszijde naar het westen (het volk) gekeerd is.[117] In Ahsmanns uitvoerige studie uit 2017 over de inrichting van het koor van de middeleeuwse Sint-Servaaskerk, is naast het schrijn slechts plaats voor twee van de vier pendanten.[noot 48] In de gedeelde visie van Mekking en Ahsmann stellen de pendanten A en B de twaalfde-eeuwse aartsbisschoppen Christiaan van Buch en Reinald van Dassel voor, beiden kanseliers van het Heilige Roomse Rijk en beiden begunstigers van de Sint-Servaaskerk. Eerstgenoemde was met zekerheid proost van Sint-Servaas; laatstgenoemde mogelijk voogd. Volgens Ahsmann waren deze machtige prelaten, beiden steunpilaren van keizer Frederik I Barbarossa, de opdrachtgevers van zowel het schrijn van Sint-Servaas als de twee pendanten met hun portret. In deze visie stonden de donorportretten links en rechts van het iets hoger gepositioneerde schrijn op het reliekenaltaar, waardoor de twee aartsbisschoppen leken op te kijken naar Sint-Servaas. De capsa, het houten omhulsel van de Noodkist, werd aan de voorzijde afgesloten door een fraai vormgegeven retabel, met daarin uitsparingen voor het schrijn en de pendanten. Wellicht dienden als voorbeeld de verdwenen altaarretabels van de afgebroken Sint-Lambertuskathedraal in Luik en de abdijkerk van Stavelot. Van het spectaculaire zilveren retabel van Stavelot, bedoeld voor het schrijn van Remaclus en tot stand gekomen onder het bewind van abt Wibald van Stavelot, zijn twee zeventiende-eeuwse tekeningen bewaard gebleven.[119]
Ahsmanns studie uit 2017 bevatte een complete reconstructie van de twaalfde-eeuwse koordispositie van de Sint-Servaaskerk, inclusief 3D-modellen van het reliekenaltaar (met retabel en capsa) en digitale reconstructies van de qua thematiek op de Noodkist aansluitende wand- en gewelfschilderingen in het hoogkoor.[120] Een door leerlingen van een plaatselijke vmbo-school nagebouwd reliekenaltaar was in 2025 tijdens de Heiligdomsvaart in de kerk te zien. Volgens Ahsmann waren het schrijn en de pendanten als volgt op het reliekenaltaar gepositioneerd:
| Pendant A | Noodkist (Servaaszijde) |
Pendant B |
|---|---|---|
| donorportret van Christiaan van Buch, aartsbisschop van Mainz, proost van de Sint-Servaaskerk, uit het graf omhoog ziend naar Sint-Servaas | Sint-Servaas, bisschop van Maastricht, beschermheilige der Karolingers[121] | donorportret van Reinald van Dassel, aartsbisschop van Keulen, voogd van de Sint-Servaaskerk, uit het graf omhoog ziend naar Sint-Servaas |
Museale opstelling Brussel
[bewerken | brontekst bewerken]De vier originele pendanten van de Noodkist zijn onderdeel van de permanente collectiepresentatie van het Museum Kunst & Geschiedenis (MKG) in Brussel.[122] In de zaal Maaslandse kunst stonden ze anno 2011 naast elkaar opgesteld in glazen vitrines op hoge, zwarte sokkels, zodat ze op ooghoogte bekeken konden worden. De puntgevelreliekhouders worden door het museum volgens de traditionele opvatting (Kroos en anderen) geïdentificeerd als bisschoppen van Maastricht.[122] De volgorde van links naar rechts was in 2011: pendant C (Candidus), A (Monulfus), B (Gondulfus) en D (Valentinus). Informatiepanelen gaven aan dat in de oorspronkelijke opstelling het schrijn tussen de pendanten A en B stond.[noot 49] In dezelfde zaal worden nog een of twee voorwerpen geëxposeerd die afkomstig zijn uit de middeleeuwse kerkschat van de Sint-Servaaskerk: de zogenaamde reliekhoorn van Sint-Servaas en mogelijk ook een tabletvormige kruisreliekhouder.[37][124]
Het museum in Brussel bezit een gipsafgietsel van de Noodkist, dat in 2011 stond opgesteld in een vitrine bij de toegang naar de zaal waarin de collectie Maaslandse kunst wordt getoond, dus niet tussen de pendanten.
Museale opstelling Maastricht
[bewerken | brontekst bewerken]De Noodkist en de Maastrichtse kopieën van de pendanten werden tot 2020 gepresenteerd in de Schatkamer van de Sint-Servaasbasiliek. Het schrijn stond in een beveiligde vitrine op een stalen frame centraal in het achterste deel van de benedenverdieping van de schatkamer. De oriëntering van de kist was zoals die volgens Cuypers en Kroos in de middeleeuwse kerk was geweest: de Christuszijde naar het westen (het volk), de Servaaszijde naar het oosten gericht (God). De kopieën van de Brusselse pendanten werden in vitrines aan de wand achter de Noodkist tentoongesteld, tegenover de Servaaszijde van het schrijn, zodat de vijf Maastrichtse bisschoppen (volgens de traditionele indentificatie) hier bij elkaar kwamen. De volgorde van de pendanten was iets anders dan in Brussel, van links naar rechts: D (Valentinus), A (Monulfus), B (Gondulfus) en C (Candidus).
In 2020 zijn de pendanten met de Noodkist meeverhuisd van de schatkamer naar het noordertransept van de kerk, waar een groot podium met vitrines en informatiepanelen is opgericht. Het schrijn is sedertdien, anders dan in de schatkamer, noord-zuid georiënteerd met de Servaaszijde gericht naar de viering, waar zich het hoofdaltaar bevindt. De pendanten worden getoond in vitrines die in de sokkel van de Noodkist zijn ingebouwd. De pendanten A en B worden aan de Pauluszijde van het schrijn getoond. Ze worden niet langer aangeduid als Monulfus en Gondulfus, maar volgens de opvattingen van Mekking en Ahsmann als donorportretten van Christiaan van Buch en Reinald van Dassel. De pendanten C en D bevinden zich nu aan de Petruszijde van het schrijn en worden nog steeds aangeduid als reliekhouders van Candidus en Valentinus.
- Nieuwe presentatie in het noordertransept met Petrus- en Servaaszijde van de Noodkist
- Idem met Christuszijde van de Noodkist en doorkijk naar de viering en het zuidertransept
- Idem met Pauluszijde van de Noodkist en kopieën van pendanten A & B
- Idem met Petruszijde van de Noodkist en kopieën van pendanten C & D
Waardering, betekenis
[bewerken | brontekst bewerken]De Noodkist in Maastricht en de bijbehorende reliekhouders in Brussel worden gezien als meesterwerken van de Maaslandse edelsmeedkunst en behoren in de Nederlanden tot de hoogtepunten van de renaissance van de twaalfde eeuw.[2][3] Het schrijn is wel "de Nachtwacht van het Zuiden" genoemd.[noot 50] Renate Kroos, die vijftien jaar aan een monografie over de Noodkist werkte, schreef in 1985 dat het schrijn in de voorbije honderd jaar in vrijwel geen publicatie over middeleeuwse edelsmeedkunst had ontbroken (hoewel het minder aandacht kreeg dan het Keulse Driekoningenschrijn en het Heribertschrijn).[59]
Kunsthistorische analyse
[bewerken | brontekst bewerken]Kunsthistorici hebben vastgesteld dat de Noodkist en zijn pendanten verwantschappen hebben met een reeks Maaslandse reliekschrijnen en ander edelsmeedwerk. Kroos noemt als vroege voorbeelden het Victorschrijn in Xanten en het Hadelinusschrijn in Wezet (beide ouder dan 1150), gevolgd door een aantal werken van na 1150: het Heribertschrijn in Keulen-Deutz, het Domitianusschrijn en het Mengoldusschrijn, beide in Hoei, een gevelstuk van het oorspronkelijke Odaschrijn uit Amay (nu in het British Museum), het Remaclusretabel uit Stavelot (waarvan slechts fragmenten bewaard zijn), het Pinksterretabel uit Stavelot (Musée national du Moyen Âge), de staurotheek van Sainte-Croix (museum Grand Curtius) en tenslotte het Akense reliekschrijn voor de arm van Karel de Grote (in het Louvre).[126]
- Hadelinusschrijn, Wezet
- Heribertschrijn, Keulen-Deutz
- Odaschrijn, Amay/Londen
- Pinksterretabel, Stavelot/Parijs
Schnitzler
[bewerken | brontekst bewerken]De Duitse kunsthistoricus Hermann Schnitzler was begin jaren 1930 de eerste die uitvoerig aandacht besteedde aan de Noodkist. Hij dateerde het schrijn aanvankelijk in de periode 1160-1170, maar verschoof dat later naar 1170-1185. Van hem zijn de inmiddels algemeen aanvaarde aanduidingen 'Paulusmeester' en 'Petrusmeester' voor de twee edelsmeden die volgens hem het meest hun stempel hebben gedrukt op het schrijn. Daarbij sloeg hij het smeedwerk van eerstgenoemde hoger aan dan dat van laatstgenoemde. Met name de apostelfiguren Paulus, Bartolomeüs, Johannes en Jakobus de Meerdere zijn verfijnder uitgevoerd en hebben meer dynamiek.[noot 51] Ze staan daarmee, volgens Schnitzler, op hetzelfde niveau als het Heribertschrijn en het Pinksterretabel. De andere, aan de Petrusmeester toegeschreven apostelfiguren worden gekenmerkt door het strakke lijnenspel van parallel lopende kledingplooien, die weinig prijsgeven van de dynamiek van het lichaam. Die stijl, in de Duitse vakliteratuur aangeduid als Rillenfaltenstil ('groef-' of 'ribbelplooienstijl') is onder andere te herkennen op het later tot stand gekomen Karelsschrijn in de Dom van Aken.[noot 52] De vraag hoe het kan dat de dynamischer ogende stijl van de Paulusmeester voorafging aan de primitiever ogende ribbelplooienstijl van de Petrusmeester, heeft meerdere kunsthistorici beziggehouden, maar bleef onopgelost.[129]
Lasko, Timmers en Kötzsche
[bewerken | brontekst bewerken]In de jaren 1960 en 1970 voegden drie prominente kunsthistorici zich bij de discussie, de Duits-Britse Peter Lasko, de Nederlandse Joseph Timmers en de Duitse Dietrich Kötzsche. Lasko merkte op dat het werk van de Paulus- en Petrusmeester overlappingen vertoonde. Hij stelde vast dat de overgang naar de Rillenfaltenstil, die zich na 1170 in grote delen van Europa voordeed, nog te weinig bestudeerd was om daar zwaarwegende conclusies uit te trekken.[130] Timmers accepteerde de door Schnitzler geïntroduceerde twee meesters, die hij A en B noemde, maar onderscheidde daarnaast een derde meester, door hem A1 genoemd vanwege de verwantschap met A. Deze zou vooral gewerkt hebben aan de Servaaszijde en de dakreliëfs. Andere werkstukken van zijn hand zijn volgens Timmers het armreliekschrijn van Karel de Grote in Parijs en de reliekschrijnen in Hoei. Als frappant voorbeeld noemde hij het achtlobbige bloemmotief, ingebed in bruinvernis, dat de boogzwikken aan de lange zijden van de Noodkist versiert en terug te vinden is op de gevelstukken van de twee schrijnen in Hoei.[131] Kötzsche ten slotte beschreef de Noodkist en andere schrijnen in de tentoonstellingscatalogus van Rijn en Maas (1972).[132] Ook hij wees op overeenkomsten met het Hadelinusschrijn, het Luikse kruistriptiek en de beide Hoeise schrijnen, alle toegeschreven aan Godfried van Hoei, de laatste twee met vrij grote zekerheid. Kötzsche zag in de Paulusmeester duidelijk een navolger van Godfried van Hoei. Voor wat betreft de Petrusmeester en de overeenkomsten met het Karelsschrijn, verwees hij naar Schnitzler. Bij de Brusselse pendanten A en B deed de vormgeving hem denken aan het kruistriptiek van Sainte-Croix, waarop de verrezenen eveneens zijn afgebeeld in een ronde nis aan de voeten van engelen.[133]
Kroos
[bewerken | brontekst bewerken]Dit was globaal de stand van zaken, toen Renate Kroos in de jaren 1970 en begin jaren 80 werkte aan haar onderzoek naar de Noodkist en zijn pendanten in opdracht van het Zentralinstitut für Kunstgeschichte in München. Kroos zette vraagtekens bij de door diverse auteurs beschreven Rillenfaltenstil. Ze vroeg zich af in hoeverre de verschillen in vormgeving van kledingplooien bepaald werden door de stof van de kledingstukken.[noot 53] Over de door sommige auteurs gemaakte vergelijkingen met het Luikse kruistriptiek, de Parijse armreliekhouder en het Pinksterretabel, merkte ze op dat deze voorwerpen, net als het Maastrichtse schrijn, ingrijpende restauraties hebben ondergaan en het om die reden lastig is om conclusies te trekken uit stijlvergelijkingen. Zelf observeerde ze dat de Noodkist met zijn symmetrische dubbele rondboogarcaden en de daarop afgestemde dakmedaillons een doordachte architectonische opbouw heeft, hetgeen niet van alle Maaslandse schrijnen gezegd kan worden. Van de verschillende technieken die bij het schrijn en de pendanten zijn toegepast, is de kwaliteit van het bruinvernis volgens haar superieur. De gegoten sierkam rondom de Servaasgevel, afwisselend met rechtopstaande en omgebogen palmetbladeren, komt terug op de Hoeise schrijnen, maar is daar net iets gedetailleerder vormgegeven en benadert daarmee beter de klassieke voorbeelden. Voor een beoordeling van het emailleerwerk achtte ze zichzelf niet kundig genoeg.[134]
Ahsmann
[bewerken | brontekst bewerken]Na Kroos was Fred Ahsmann feitelijk de enige die zich intensief heeft beziggehouden met het Maastrichtse schrijn en de Brusselse pendanten.[noot 54] Ahsmann plaatste het schrijn en twee van de pendanten in de context van de twaalfde-eeuwse koordispositie, in samenhang met de door hem gereconstrueerde wand- en gewelfschilderingen. Zijn visie op de pendanten A en B als donorportretten gaf deze kunstvoorwerpen een geheel nieuwe betekenis. De pendanten C en D zag hij als restanten van oudere liturgische voorwerpen, die pas in de zeventiende eeuw met het Servatiusschrijn in verband gebracht werden. Ook zag hij minder onderlinge overeenkomsten tussen de vier pendanten dan zijn vakgenoten. In zijn materiële beschrijving week hij nauwelijks af van de gangbare analyses door Kroos en anderen. Met zijn vroege datering (ca. 1167) volgde hij Kroos niet.[137]
Kopieën, navolging
[bewerken | brontekst bewerken]De betekenis van de Noodkist en de Brusselse pendanten wordt onderstreept door het feit dat eind negentiende eeuw meerdere kopieën zijn vervaardigd in opdracht van de Sint-Servaaskerk en enkele gerenommeerde musea. Genoemd zijn de verguld koperen kopieën van de Brusselse pendanten in de schatkamer van de Sint-Servaasbasiliek, vervaardigd in 1888 door de Luikse firma Wilmotte. De schatkamer bezit daarnaast een neoromaans reliekschrijn waarin niet-vergulde koperen kopieën van de noodkistpendanten zijn verwerkt.[noot 55] Dit schrijn kwam uiterlijk in 1881 tot stand, nog voor de losse kopieën dus, vermoedelijk ook bij Wilmotte in Luik.[138] In de schatkamer bevinden (of bevonden) zich enkele koperen reliekhouders voor antieke stoffen, waarvan de vormgeving geïnspireerd is door de noodkistpendanten. Hetzelfde kan gezegd worden van het door Cuypers en Essenwein ontworpen neoromaanse hoofdaltaar met altaarciborie, waarvan het altaar in 1882 door de Akense edelsmid August Witte werd opgeleverd, en het ciborie in 1891 door zijn zoon Bernhard Witte.[139]
Zowel van het schrijn als van de pendanten zijn door het Roermondse Atelier Cuypers-Stoltzenberg gipsafgietsels gemaakt. Minimaal een van de gipsen pendanten bevindt zich nog in de collectie van het Cuypershuis in Roermond, het voormalige woonhuis en atelier van de architect.[140] Het Rijksmuseum in Amsterdam bezat een uitgebreide gipscollectie, waarvan het Maastrichtse Bergportaal en de Noodkist deel uitmaakten. De gipsafdeling van het museum werd in de jaren 1950 gesloten. Het Museum Kunst & Geschiedenis in Brussel bezit, behalve de originele noodkistpendanten, sinds 1879 een gipsafgietsel van de Noodkist (KMKG inv.nr. 1057.00), alsmede afgietsels van de pendanten A en C. Die laatste zijn vervaardigd in de eigen KMKG afgietselwerkplaats, waar ook de oorspronkelijke mallen worden bewaard, waardoor afgietsels kunnen worden bijgemaakt.[141] Het polychroom beschilderde gipsafgietsel van de Noodkist is op zaal te bewonderen in de afdeling Romaanse en Maaslandse kunst. Zie ook: Museale opstelling Brussel.
- Neoromaans reliekschrijn met kopieën pendanten, Maastricht
- Textielreliekhouder in de stijl van pendant D, Maastricht
- Gipsafgietsel pendant D, Cuypershuis, Roermond
- Gipsmodel Noodkist, voorheen in het Rijksmuseum Amsterdam
Religieuze betekenis
[bewerken | brontekst bewerken]De religieuze betekenis van de Noodkist is in het verleden groter geweest dan nu, maar is ook in de eenentwintigste eeuw nog levend. De eeuwenoude traditie om het schrijn in tijden van nood door de stad te dragen, bestaat nog steeds. De laatste keer dat de kist op deze wijze zijn naam eer aandeed, was tijdens een bidweg voor de vrede in 1991 aan het begin van de Golfoorlog. Tijdens de wereldwijde coronapandemie ontstond er behoefte om bij de Noodkist te bidden. Bisschop Harrie Smeets ging daar op 15 maart 2020 in voor, maar het feit dat dit in de museale omgeving van de schatkamer plaatsvond, stuitte op onvrede. Omdat vanwege de toen geldende anderhalvemetermaatregel ook geen toestemming werd verkregen om het schrijn door de stad te dragen, werd in mei van dat jaar besloten de kist permanent in het noordertransept van de kerk uit te stallen. Om praktische redenen – vanwege de toegankelijkheid voor mensen met een fysieke beperking – werd gekozen voor het transept en niet voor het hoogkoor, waar de kist in het verleden stond.[57][142]
De Noodkist is geen onderdeel van de vier 'stadsdevoties' van Maastricht. Dit zijn devotionele beelden of voorwerpen, die in Maastricht bijzondere verering genieten: de Sterre der Zee, de Zwarte Christus van Wyck, het borstbeeld van Sint-Servaas en dat van Sint-Lambertus. Bij de jaarlijkse Sint-Servaasprocessie of Grote Processie op of rondom de feestdag van Sint-Servaas (13 mei) gaan de stadsdevoties mee; de Noodkist niet. Bij de ommegangen tijdens de zevenjaarlijkse Heiligdomsvaart van Maastricht wordt de kist wel meegedragen, voor het laatst in 2025. Tot 2025 stond hij bovendien tijdens de gehele heiligdomsvaartperiode ter verering opgesteld op de koortrappen van de basiliek. In de editie van 2025 werd van dat gebruik afgezien en bleef de kist op zijn nieuwe vaste plaats in het noordertransept. Het schrijn wordt bij deze gelegenheden bewaakt door leden van de Broederschap van Sint Servaas.
De in 1916 opgerichte Broederschap van Sint Servaas telt circa vijftig leden. De broederschap stelt zich ten doel de devotie tot Sint-Servaas te bevorderen. De broedermeesters zorgen ervoor dat voorafgaand aan de processies en ommegangen het schrijn stevig wordt bevestigd op de speciaal daartoe ontworpen processiebaar. De baar heeft een stalen skelet met beweegbare delen die op de schouders van de dragers rusten. Naar wens kunnen acht of zestien dragers plaatsnemen, allen leden van de broederschap. Een doorzichtig omhulsel van perspex zorgt voor bescherming tegen weersinvloeden. Terwijl de broeders buiten de kerk meestal gekleed gaan in jacquet (met broederschapsmedaille en rood-wit festoen), dragen ze bij liturgische vieringen een rood-zwart of rood-geel tuniek.[143]
Varia
[bewerken | brontekst bewerken]- Tijdens een noodprocessie met de Noodkist op 6 januari 1677, toen Maastricht bezet was door Franse troepen, werden twee gevangenen uit het Dinghuis bevrijd, die daar wegens doodslag waren opgesloten.[1]
- Op 12 maart 1917 hield hoofdaalmoezenier Henri Poels in de Maastrichtse Staarzaal zijn bekend geworden 'Noodkistrede', zo genoemd omdat hij zich beriep op het heilig gebeente van Sint-Servaas. Poels sprak schande van het feit dat er in de industriestad Maastricht bijna tweeduizend eenkamerwoningen waren ("1987 schamele hokjes", zoals hij keer op keer benadrukte), waarin fabrieksarbeiders met hun gezinnen onder erbarmelijke omstandigheden moesten wonen. Het effect van de Noodkistrede was groot. Een jaar later verkocht De Sphinx de Cité Ouvrière, hét symbool van de slechte woonomstandigheden, waarna het gebouw door de gemeente geleidelijk werd ontruimd. De gemeente, die het bouwen van sociale woningen lange tijd als een taak van particulieren zag, ging nu over tot het bouwen op grote schaal van "gemeentewoningen".[144][145]
- In de vieringcrypte van de Sint-Servaasbasiliek stond omstreeks 2000 een door kinderen beschilderde miniatuurnoodkist. Bezoekers konden een briefje met wensen deponeren in deze kleurrijke 'kindernoodkist'.[146]
- In de roman Apostel van Tricht van Paul Sterk uit 2011 zijn de hoofdpersonen gedwongen in een post-apocalyptisch Maastricht te overleven en komt de redding uiteindelijk vanuit de Noodkist.[147]
Zie ook
[bewerken | brontekst bewerken]- Borstbeeld van Sint-Servaas, bevat eveneens relieken van Sint-Servaas
- Heiligdomsvaart van Maastricht, evenement waarbij de Noodkist en andere devotionele voorwerpen centraal staan
- Karelsschrijn, verwant reliekschrijn in Aken
- Domitianusschrijn en Mengoldusschrijn, verwante schrijnen in Hoei
Externe links
[bewerken | brontekst bewerken]Bronvermelding, noten
[bewerken | brontekst bewerken]- Geraadpleegde literatuur
- (en) Ahsmann, Fred (2017): Order and Confusion. The Twelfth-Century Choir of the St. Servatius Church in Maastricht. Clavis Kunsthistorische Monografieën Deel XXIV. Clavis Stichting Middeleeuwse Kunst, Utrecht, ISBN 978-90-75616-13-2 (appendix online beschikbaar op academia.edu [separaat genummerd])
- (en) Bagnoli, Martina, Holger A. Klein, C. Griffith Mann, James Robinson (red.) (2010): Treasures of Heaven: Saints, Relics and Devotion in Medieval Europe (tentoonstellingscatalogus). Cleveland Museum of Art, Cleveland / Walters Art Museum, Baltimore / British Museum, Londen / Yale University Press, New Haven & Londen, ISBN 9780714123301
- (fr) /(de) /(nl) Bock, F., en M. Willemsen (1872/1873): Antiquitées Sacrées conservées dans les Anciennes Collégiales de S.Servais et de Notre-Dame à Maestricht / Die mittelalterlichen Kunst- und Reliquienschätze zu Maestricht, aufbewahrt in den ehemaligen Stiftskirchen des h. Servatius und Unserer Lieben Frau daselbst, usw. / Het heiligdom van St. Servaaskerk te Maastricht. Gebundelde drietalige uitgave. Maastricht / Keulen & Neuss (Franse en Duitse tekst online)
- Doppler, Pierre (1936), 'Lijst der proosten van het Vrije Rijkskapittel van St. Servaas te Maastricht (800-1797)', in: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg (PSHAL), jrg. 72, pp. 141-240. LGOG, Maastricht [de hier gebruikte overdruk is genummerd pp. 1-100]
- Flament, A.J.A. (1915): Chroniek van Maastricht van 70 na Chr. tot 1870. Maastrichtsche Boek- en Handelsdrukkerij, Maastricht
- (en) Hartog, Elizabeth den (2002): Romanesque Sculpture in Maastricht. Bonnefantenmuseum, Maastricht, ISBN 9072251318
- Hartog, Elizabeth den (2015), 'Kunst en cultuur van 800 tot in de vroege dertiende eeuw', in: P. Tummers, L. Berkvens, A.-J. Bijsterveld, A. Knotter, L. Wessels met F. Hermans en E. van Royen, (red.): Limburg. Een geschiedenis (3 dln.), deel I, pp. 285-305. LGOG, Maastricht. ISBN 9789081960229
- Haye, Régis de la (1992), 'Martinus van Tongeren, een negentiende-eeuwse heilige?', in: P.J.H. Ubachs (red.): Magister Artium. Onderwijs, Kerk en Kunst in Limburg. Opstellen Br. Sigismund Tagage aangeboden bij zijn zeventigste verjaardag, pp. 221-231. Stichting Charles Bentjens, Sittard. ISBN 9072459164
- Haye, Régis de la (red.) (2006): Sint Servaas volgens Jocundus. Het Leven en de Wonderen van Sint Servaas door de priester Jocundus. Vierkant Maastricht #41. Stichting Historische Reeks Maastricht, Maastricht, ISBN 90-5842-028-0
- Koldeweij, A.M. (1985): Der gude Sente Servas. Maaslandse Monografieën #5. Van Gorcum, Assen/Maastricht, ISBN 9023221192
- Koldeweij, A.M. en P.M.L. van Vlijmen (red.) (1985): Schatkamers uit het Zuiden. Rijksmuseum Het Catharijneconvent, Utrecht, ISBN 9071240029
- (de) Kroos, Renate (1985): Der Schrein des heiligen Servatius in Maastricht und die vier zugehörigen Reliquiare in Brüssel. Zentralinstitut für Kunstgeschichte, München, ISBN 3422007725
- Legner, Anton, Georges-Henri Dumont, e.a. (red.) (1972): Rijn en Maas. Kunst en Cultuur 800-1400 (tentoonstellingscatalogus). Schnütgen-Museum & Belgische Ministeries van Nederlandse en Franse Cultuur, Keulen/Brussel
- Mekking, Aart, e.a. (1983), 'Bijdragen tot de bouwgeschiedenis van de Sint-Servaaskerk te Maastricht, deel III, De Westpartij (slot)', in: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg (PSHAL), jrg. 119, pp. 59-196. LGOG, Maastricht
- Mekking, Aart (1986): De Sint-Servaaskerk te Maastricht. Bijdragen tot de kennis van de symboliek en de geschiedenis van de bouwdelen en de bouwsculptuur tot ca. 1200. Clavis Kunsthistorische Monografieën, deel II. De Walburg Pers, Zutphen, ISBN 906011-339-X
- Nispen tot Sevenaer, E.O.M. van (1926-1953): De monumenten in de gemeente Maastricht. Deel 1 [onderdeel van De Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst, deel V: Limburg, 1e stuk: Maastricht]. Algemeene Landsdrukkerij, 's-Gravenhage. 2e ongewijzigde druk (1974). Gijsbers & Van Loon, Arnhem (online tekst op dbnl.org)
- Rensch, Th.J. van, A.M. Koldeweij, R.M. de la Haye, M.L. de Kreek (1990): Hemelse trektochten. Broederschappen in Maastricht 1400-1850. Vierkant Maastricht #16. Stichting Historische Reeks Maastricht, Maastricht, ISBN 90-70356-55-4
- (de) Stauffer, Annemarie (1991): Die mittelalterlichen Textilien von St. Servatius in Maastricht. Abegg-Stiftung Riggisberg, Bern, ISBN 3905014033
- Stuers, Victor de (1907), 'Het verkwanselen van vier reliquieënhouders uit de St. Servaaskerk te Maastricht in 1846', in: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg (PSHAL), jrg. 43, pp. 7-15. LGOG, Maastricht (online tekst op archive.org)
- Tagage f.i.c., Sigismund (1987): De kerkschat van de Sint Servaas. Stichting Schatkamer St. Servaas, Maastricht
- Timmers, J.J.M. (1962), 'De iconografische betekenis van de Maastrichtse "Noodkist"', in: Miscellanea Trajectensia. Bijdragen tot de geschiedenis van Maastricht, pp. 55-66. Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap, Maastricht
- Timmers, J.J.M. (1971): De kunst van het Maasland, deel 1. Van Gorcum, Assen
- Ubachs, Pierre J.H., en Ingrid M.H. Evers (2005): Historische Encyclopedie Maastricht. Walburg Pers, Zutphen / RHCL, Maastricht. ISBN 90-5730-399-X
- Voetnoten
- ↑ Volgens Jocundus zou Karel de Grote een groot Servaasvereerder zijn geweest. Na zijn overwinning op de Saracenen gaf hij de eer aan God en Sint-Servaas. Jocundus vermeldt tevens, enigszins verwarrend, dat "keizer Karel", samen met bisschop Hubertus, de relieken van Servaas verhief. Wellicht bedoelde Jocundus met keizer Karel Karel Martel, die echter geen keizer was.[6] Het monasterium van Sint-Servaas was al vanaf het begin van de achtste eeuw in handen van de Karolingers. Vanaf circa 950 werd de kerk consequent aangeduid als keizerlijke kapel (imperii capelle specialis of nostra capella imperii). In het begin van de dertiende eeuw kwam een einde aan die status.[7][8]
- ↑ Over dit schrijn is verder niets bekend. Als het al bestaan heeft, zou dit de vermoedelijke voorloper van de Noodkist zijn.[9]
- ↑ Wel bestond er een zekere rivaliteit tussen het Maastrichtse kapittel en het door Mathilde van Ringelheim gestichte en aan Servatius gewijde vrouwenstift van Quedlinburg. In de Servatiuskerk in Quedlinburg bevindt zich nog steeds de zogenaamde bisschopsstaf van Sint-Servaas, geschonken door Hendrik de Vogelaar. Aangezien de kromstaf dateert uit de tijd van Hendrik (eerste helft tiende eeuw), is het onwaarschijnlijk dat dit reliek afkomstig zou zijn uit Maastricht.[12]
- ↑ Wellicht vond de beschildering in 1625 plaats, toen de sarcofaag werd geopend en daarin een loden kist werd aangetroffen, verdeeld in vier compartimenten, met de verpakte beenderen van de eerder genoemde heiligen.[14]
- ↑ De grotendeels verdwenen koorschilderingen van de Sint-Servaaskerk zijn gereconstrueerd door Fred Ahsmann. Hij ontdekte dat de gewelfschilderingen in de koortravee overeenkwamen met twee miniaturen in de Hortus deliciarum (ca. 1175-1195), voorstellende de visioenen van Zacharia. Deze visioenen worden gezien als een voorafspiegeling van de eindtijd, vergelijkbaar met het hoofdthema van de Noodkist: de dag des oordeels.[26]
- ↑ Vergelijk het Franse châsse voor (reliek)schrijn.
- ↑ Na 1632 waren processies buiten de directe omgeving van de kerk niet toegestaan. De noodprocessies van 1676 en 1677 vonden plaats tijdens de Franse bezetting (1673-1678).[1]
- ↑ De verkoop van de noodkistpendanten paste in een reeks van soortgelijke transacties in deze periode, die vooral het gevolg waren van onwetendheid en geldgebrek bij kerkelijke autoriteiten. Zo verdween uit de kerkschat van de Sint-Servaas ook de grote, aan Sint-Servaas toegeschreven reliekhoorn, die langs dezelfde weg in het Brusselse museum belandde, net zoals het aan Jan van Eyck toegeschreven Vera Icon, thans in de Alte Pinakothek in München.[37][38] Uit de kerkschat van de andere Maastrichtse kapittelkerk, de Onze-Lieve-Vrouwekerk, verdwenen het Byzantijns Patriarchaalkruis en het zogenaamde 'Kruisje van Constantijn', beide door een oudkanunnik zonder medeweten van het kerkbestuur aan de paus geschonken.[39]
- ↑ Het Brusselse museum kocht de vier reliekhouders in 1861 voor 6250 frank.[40] Zeventien jaar later, in 1888, gaf het kerkbestuur van de Sint-Servaas 6000 frank uit voor de vervaardiging van kopieën.[41]
- ↑ Toen Kroos in 1974 navraag deed, wist alleen de oude koster H. Leseur zich de Cuypersopstelling vaag te herinneren. Kroos baseerde zich verder op een mededeling in het parochieblad Sint Servatius Klok (1894/95), waarin gewag werd gemaakt van het gereedkomen van deze bijzondere constellatie.[46]
- ↑ Pastoor-deken Wouters werd geprezen voor deze ingreep. De Sevaasdevotie was er door toegenomen, doordat men nu dichter bij het schrijn kon komen en er knielbanken waren geplaatst.
- ↑ Mogelijk klopt het door de RCE opgegeven jaartal niet. Volgens Kroos stond het schrijn in 1917 op het hoogkoor en pas in de jaren 1950 in het Bergportaal. De plaatsing van het schrijn op een draagbaar en een provisorisch onderstel (houten kratten!) doet vermoeden dat dit geen permanente opstelling was, eerder een tijdelijke rustplaats, bijvoorbeeld tijdens de heiligdomsvaart van 1916.
- ↑ De restauratie werd wetenschappelijk voorbereid en begeleid door een in 1958 opgerichte commissie, waarvan prof. J.J.M. Timmers voorzitter was en waarin vertegenwoordigers van Nederlandse, Belgische en West-Duitse musea zitting hadden. Door de internationale samenstelling van de commissie was deze om praktische redenen onvoldoende in staat om toezicht te houden. Volgens Kroos ging er bij de restauratie veel mis door tegenstrijdige richtlijnen en eigenmachtig handelen van de restaurator. Een door Kroos geciteerd ongepubliceerd manuscript van de Duitse kunsthistoricus Dietrich Kötzsche uit 1971 bevat een opsomming van vele tientallen, meest niet-noodzakelijke wijzigingen aan het schrijn, zoals het uitdeuken van ingedeukte reliëfs. Daarnaast werden onderdelen onterecht verwijderd (de kromstaf van Sint-Servaas en de drie, vermoedelijk in de veertiende eeuw toegevoegde zilveren votiefkopjes) en andere vervangen (het vermoedelijk zeventiende-eeuwse hoofd van Christus) of toegevoegd (twee antieke gemmen en een camee, gekocht in een kunsthandel). Kroos: "Der Schrein wird also mit Preziosen aus dem Kunsthandel aufgeputzt, die weder historisch noch ikonographisch zu ihm passen." Vertaling: "Het schrijn wordt aldus met kostbaarheden uit de kunsthandel opgesierd, die noch historisch, noch iconografisch erbij passen."[48]
- ↑ In Brussel werd gekozen voor een afwijkende opstelling: hier stonden acht reliekschrijnen, waaronder dat van Sint-Servaas, op een kruisvormig podium.[50]
- ↑ Van de twee andere pendanten werd er minstens één ook uitgeleend aan het buitenland: aan de onderkant zit een ongedateerd, maar niet heel oud ogend label van een niet nader omschreven tentoonstelling in Barcelona.[53]
- ↑ Door Timmers aangeduid als domus aurea ('gouden huis'); de herkomst van die benaming is niet bekend.[58]
- ↑ Timmers geeft iets afwijkende maten: 175 × 49 × 75 cm.[60]
- ↑ Volgens Kroos is rondom de figuur van Godfried van Hoei (Godefroid de Claire) door verkeerde aannames een oeuvre gecreëerd, dat door de ene auteur werd uitgebreid en door de volgende weer ingeperkt, waarbij Belgisch, Frans en Duits nationalisme tijdens en na de beide wereldoorlogen een rol speelde.[64]
- ↑ De twaalf afgebeelde apostelen zijn niet dezelfden als de twaalf oorspronkelijke discipelen van Jezus. Na de zelfmoord van de verrader Judas Iskariot zou zijn plaats zijn ingenomen door Mattias (volgens Handelingen 1 vs 15-26) of Paulus (volgens Galaten 1 vs 13-19). In de vroege kerk bestond daarover geen overeenstemming. Op de Noodkist is gekozen voor Paulus.
- ↑ De Latijnse tekst luidt: VOS QVI SECVTI ESTIS ME / SEDEBITIS SVPER SEDES XII / IVDICANTES DVODECIM // TRIBVS ISRAHEL / IN REGENERATIONE CVM SEDERIT FILIVS HO / MINIS IN SEDE MAIESTAS SVE. Vertaling: "Gij, die mij gevolgd zijt, zult zitten op twaalf zetels om de twaalf stammen van Israël te oordelen bij de opstanding als de mensenzoon zal zetelen op de troon zijner majesteit" (vrij naar Matt. 19 vs 28).[65]
- ↑ De tekst op de bovenrand, beginnend aan de Petruszijde en doorlopend aan de Pauluszijde, luidt: + VENITE BENEDICTI PATRIS MEI PERCIPITE PARATVM VOBIS REGNVM A CONSTITVTIONE MVNDI: ESVRIVI ET DEDISTIS M[ICHI] MANDVCARE: + SITIVI ET DEDISTIS MICHI BEBERE: HOSPES ERAM ET COLLEGISTIS ME:. Vertaling: "Komt, gezegenden van mijn vader, gaat binnen in het rijk dat voor u bereid is van de grondlegging der wereld af. Ik had honger en gij hebt mij gespijzigd. Ik had dorst en gij gaaft mij te drinken. Ik was vreemdeling en gij hebt mij opgenomen." Op de onderrand van de dakvlakken staat, beginnend aan de Petruszijde: + AMEN DICO VOBIS QVAMDIV FECISTIS VNI DE HIS FRATRIBVS MEIS MINIMIS MICHI FECISTIS: + NVDVS ERAM ET OPERVISTIS ME: INFIRMVS ERAM ET VISITASTIS ME: IN CARCERE ERAM ET VENISTIS AD ME. Vertaling: "Voorwaar ik zeg u, wat gij aan een van deze minsten mijner broeders gedaan hebt, dat hebt gij mij gedaan. Ik was naakt en gij hebt mij gekleed. Ik was ziek en gij hebt mij bezocht. Ik was in de gevangenis en gij zijt tot mij gekomen."[65]
- ↑ De Latijnse tekst ECCE VENIO CITO ET MERCES MECVM is een verkorte weergave van Openbaring 22 vers 12: "Zie, ik kom spoedig en mijn [hemelse] loon draag ik bij mij".[67]
- ↑ Al deze symbolen zijn ontleend aan de Openbaring van Johannes.[67] Zowel de in de loop der eeuwen beschadigde levensbomen als het geheel verdwenen en door een niet-passend houten exemplaar vervangen hoofd van Christus, werden door Brom in de jaren 1960-62 gerestaureerd.
- ↑ De tekst bestaat uit twee delen. Onder de figuur van Christus staat (met diverse afkortingen): B[ENE]DICT[VS] Q[V]I A[M]B[V]LAS SVP[ER] VNDAS MARIS, wat vertaald kan worden als "Gezegend hij/gij die loopt over de golven van de zee". De tekst loopt verder om de driepasboog heen: SIC SPERABIS HOMO TIBI IVSTICIAM FACIENDAM IVSTAM IVSTVS EGO MERCEDEM CVIQVE REPENDAM. Vertaling: "Zo moet gij hopen, mens, dat u gerechtigheid zult verkrijgen, omdat ik, de gerechtige, ieder zijn rechtvaardige loon zal geven".[65] De teksten zijn onder andere ontleend aan de misliturgie van de quatertemperdagen.[68]
- ↑ Deze opstelling van patroonheilige in het midden tussen twee kleinere figuren (engelen of personificaties van deugden), meestal onder een drielobboog, is op meerdere Maaslandse schrijnen te vinden. Zie bijvoorbeeld het Heribertschrijn in Keulen-Deutz en de Odagevel van het gedemonteerde Odaschrijn in het British Museum in Londen.
- ↑ Volgens Kroos is dit geen pallium.[72]
- ↑ Timmers meende dat de bisschopsmijter later toegevoegd moest zijn, omdat deze in het twaalfde-eeuwse bisdom Luik nog niet gangbaar zou zijn geweest.[73] Kroos was het daar niet mee eens, maar erkende wel dat de mijter later was toegevoegd, echter vóór de voltooiing van het schrijn.[74]
- ↑ De Latijnse tekst luidt: INDVE INMORTALITATEM ("Bekleedt u met onsterfelijkheid").[75]
- ↑ De tekst luidt: +BEATVS SERVATIVS · +IVSSVS AB OCTAVIA TRANSIRE SEPVLTVS IN ISTA PRESVL BASILICA MODO CAPSA CLAVDOR ET ARA. Vertaling: "Gezegende Servatius. Op bevel [van God's engel] ben ik weggegaan uit Octavia [Tongeren]; als bisschop ben ik begraven in deze kerk en mijn gebeente is nu ingesloten door de kist en het altaar".[65] De aanduiding 'Octavia' voor Tongeren is afkomstig uit Veldekes Leven van Sint-Servaas. De stad zou genoemd zijn naar een koning Octaviaan.[73]
- ↑ Behalve dat de belangrijkste apostelen, Petrus en Paulus, direct naast Christus gezeten zijn, lijkt deze volgorde geen speciale betekenis te hebben. Vergelijk de volgorde op andere 'apostelschrijnen': het Victorschrijn, het Heribertschrijn, het Domitianusschrijn, het Mariaschrijn en het Remaclusschrijn.
- ↑ De tekst op de banderol van Andreas luidt: DIES DOMINI SICVT FVR. Timmers reconstrueerde de ontbrekend tekst van Petrus als ADVENIET. Vertaling: "De dag des heren komt als een dief" (II Petrus 3 vs 10). De tweede en derde banderol (Matteüs en Tomas) vormen een doorlopende tekst: VENITE BENEDIC·TI PATRIS MEI, vertaald: "Komt, gezegenden van mijn vader" (Matt. 25 vs 34). De banderollen van Judas Taddeüs en Simon vormens eveneens een geheel: VENIET POST SAECVLA · DOMINVS FACERE IVDICIVM, vertaald: "Na eeuwen zal de heer komen om gerechtigheid te brengen" (Judas vs 14).[65][78]
- ↑ De banderolteksten luiden, van links naar rechts: DOMINE QVANDO TE VIDIMVS ESVRIENTEM ET PAVIMVS TE, vertaling: "Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien en te eten gegeven?" (Matteüs 25 vs 37), DOMINE QVANDO TE VIDIMVS HOSPITEM ET COLLEGIMVS TE, vertaling: "Heer, wanneer hebben wij u als vreemdeling gezien en onderdak gegeven?" (Matteüs 25 vs 38) en DOMINE QVANDO TE VIDIMVS NVDVM ET COOPERIMVS TE, vertaling: "Heer, wanneer hebben wij u naakt gezien en kleding gegeven?" (Matteüs 25 vs 39).[65]
- ↑ De tekst op de banderol van Jakobus de Meerdere luidt: SVRGEMVS IN MOMENTO. De ontbrekende tekst van Paulus werd door Timmers gereconstrueerd als OMNES RE. De vertaling luidt: "We zullen allen verrijzen in een oogwenk" (I Kor. 15 vs 51). De tweede tekst wordt gedeeld door Johannes en Bartolomeüs: PATER OMNE · IVDICIVM DEDIT FILIO, vertaling: "De vader gaf het gehele oordeel aan de zoon" (Joh. 5 vs 22). Jakobus de Mindere draagt een banderol met de tekst: ESTOTE PARATI. De ontbrekende tekst van Filippus luidt volgens Timmers: FILIVS HOMINIS VENIET. Vertaald: "Wees bereid, want de zoon des mensen komt" (Lucas 12 vs 40).[65][78]
- ↑ Andere bijzondere stoffen uit de Noodkist zijn: de zogenaamde dioskourenstof (Byzantijns, zevende of achtste eeuw), de leeuwenstof (Centraal-Azië, tiende of elfde eeuw), een met gouddraad gestikte beurs (Turkmenistan, dertiende of veertiende eeuw) en diverse middeleeuwse linnenweefsels.[84]
- ↑ Het onderzoek vond plaats op 9 november 1863 in de sacristie van de kerk onder toezicht van mgr. Joannes Paredis, de rectoren van het kleinseminarie Rolduc en het Maastrichtse Jezuïetenklooster, de vier Maastrichtse parochiepastoors, de Akense kanunnik en kunsthistoricus dr. Franz Bock en de arts J.G. Germain. De aangetroffen beenderen werden in de dagen daarna onderzocht door dr. Germain; de antieke stoffen door dr. Bock. Die laatste knipte van drie doeken een stuk af ten behoeve van de schatkamer (hoewel ook stukken stof uit het schrijn door toedoen van Bock in diverse andere musea terechtkwamen). Andere stoffen werden in hun geheel uit het reliekschrijn verwijderd, zodat de textielcollectie van de schatkamer minimaal zes stoffragmenten omvat, plus een reliekenbeurs en de 'albe van Sint-Servaas', alle afkomstig uit de Noodkist.[86]
- ↑ De Latijnse teksten op de vijf cedulae luiden achtereenvolgens: 1. VESTIMENTA SCI SERVATII (kleding van Sint-Servaas); 2. SCS MARTIN TVNGRENSIS EPS (Heilige Martinus, bisschop van Tongeren); 3. CINERES SCI SERVATII (as van Sint-Servaas). 4. DE CORPORE SCI SERVATII (van het lichaam van Sint-Servaas); 5. CINERES S. SERVATII (as van Sint-Servaas).[87]
- ↑ Bij de inspectie in 1958 werd ook een pakketje met dunne botjes aangetroffen, die onmogelijk van een mens konden zijn. Na onderzoek door een zoöloog bleken ze van een vleermuis te zijn. Er zat een briefje uit 1611 bij, waarop stond dat men deze nog in de oude sarcofaag van Sint-Servaas had aangetroffen.[90]
- ↑ Van 1989-1991 werd de gehele textielschat van de Sint-Servaasbasiliek kosteloos gerestaureerd, geconserveerd en gedocumenteerd door specialisten van de Abegg-Stiftung in het Zwitserse Riggisberg. De stoffen werden onderzocht en gedateerd door Mechthild Flury-Lemberg en Annemarie Stauffer.[94]
- ↑ Timmers sprak in 1971 van 'reliektafels';[96] latere kunsthistorici, waaronder Mekking, Bosman en Koldeweij, duidden de Brusselse reliekhouders aan als 'reliekgevels'.[51][97][98] De term 'gevel' is in dit verband enigszins verwarrend, omdat de beide korte zijden van de Noodkist als gevelstukken worden beschreven. De Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis beschrijven de reliekhouders als 'puntgevel-reliekhouders'.[99]
- ↑ Voor de identificatie van de noodkistpendanten is hier gekozen voor de door Ahsmann voorgestelde neutrale benamingen A, B, C en D.[103]
- ↑ Bock en Willemsen weken hiervan af in hun inventarisatie van de Maastrichtse relieken uit 1872: pendant B stelt volgens hen Valentinus voor, de legendarische voorganger van Servatius als bisschop van Tongeren.[104] Timmers verwees in 1971 naar Bock en Willemsen als volgt: "men neemt aan dat het Monulphus en Valentinus zijn".[105] Een late identificatie van pendant A en B met Monulfus en Gondulfus is te vinden in de tentoonstellingscatalogus Treasures of Heaven uit 2010.[52]
- ↑ Redenen om de identificatie met Monulfus en Gondulfus (of Valentinus) af te wijzen, zijn volgens Ahsmann: het ontbreken van aureolen en het feit dat Monulfus al op pendant D is afgebeeld.[106] Daar kan tegenover gesteld worden dat de bisschoppen nog gekroond moesten worden, dus nog niet heilig verklaard waren, en dat pendant D vermoedelijk een latere assemblage is.[107]
- ↑ De tekst op pendant A luidt: SVRGITE XPS ADEST VOCAT VOS IPSE CORON[AT] / [V]EHIT AD VESTIGIA RERVM. Vertaling: "Sta op, Christus verschijnt, hij roept u en hijzelf kroont u / hij voert u tot het hoogste der dingen (ofwel: de hemel)". Op de boognis van pendant B staat: HEC NOSTRIS MANIBVS DAT VOBIS PREMIA XPS, vertaald: "Met onze handen geeft Christus u de beloning".[108]
- ↑ Mogelijk een verwisseling met de martelaar Candidus van Agaunum. Kroos, die de identificatie met Candidus onderschrijft, geeft diverse voorbeelden van belijders die afgebeeld worden met een palmtak.[110]
- ↑ Vermoedelijk was het Noodkistaltaar niet of nauwelijks zichtbaar vanuit de kerk, in elk geval vanaf de veertiende eeuw, toen het koor werd afgescheiden van de kerk door het grote, stenen Sint-Servaasdoksaal.
- ↑ Ook de online museumcatalogus van het KMKG in Brussel hanteert deze traditionele aanduidingen.[99] In de tentoonstellingscatalogus van Rijn en Maas (1972) werden de pendanten A en B door Dietrich Kötzsche niet nader geïdentificeerd.[100][112]
- ↑ Mekking vermeldde zijn ideeën hierover voor het eerst in een publicatie over het westwerk van de Sint-Servaas in 1983, daarna eveneens beknopt in een bewerkte uitgave van zijn proefschrift uit 1986. Daarin wordt een uitgebreide publicatie over de dispositie van het hoogkoor van de middeleeuwse Sint-Servaaskerk in het vooruitzicht gesteld, een vooruitzicht waarin Ahsmann uiteindelijk heeft voorzien.[114][115][116]
- ↑ De pendanten C en D maakten volgens Ahsmann geen deel uit van de twaalfde-eeuwse koordispositie. Ze werden pas later toegevoegd, waarschijnlijk in de vroege zeventiende eeuw. Op het reliekenaltaar stonden toen bij de Noodkist de vier thans in Brussel verblijvende reliekhouders uitgestald.[40][118]
- ↑ Deze volgorde, door Kroos bekritiseerd, werd ook in de Keulse tentoonstelling Rhein und Maas (1972) aangehouden.[123]
- ↑ Deze eretitel zou voor het eerst zijn gebruikt door een directeur van het Rijksmuseum Amsterdam en werd door schatbewaarder br. Sigismund Tagage gepopulariseerd.[125]
- ↑ Ahsmann, in navolging van Karl Hermann Usener, rekent ook de Christusfaçade tot het werk van de Paulusmeester. Mogelijk had deze Byzantijnse invloed ondergaan.[127]
- ↑ Kroos' relatief late datering van het Servatiusschrijn hangt samen met die van het Karelsschrijn, waarvan de datering min of meer vaststaat: het hout van de kist werd gekapt in 1182 en de translatie van de relieken vond plaats in 1215.[128]
- ↑ Zo is in het Koningsportaal van de kathedraal van Chartres (ca. 1190) een grote verscheidenheid in de weergave van plooien te zien, terwijl dat werk wel als een stilistische eenheid wordt beschouwd.
- ↑ Elizabeth den Hartog, die vanaf de jaren 1990 uitgebreid publiceerde over de romaanse beeldhouwkunst, met name de Maastrichtse en Maaslandse bouwsculptuur, noemde de Noodkist voornamelijk in het voorbijgaan, als er aantoonbare verbanden met de romaanse bouwsculptuur waren, of in samenhang met de bloei van de kunsten in het algemeen. Opvallend is de verwijzing naar het schrijn bij haar bespreking van het Bergportaal.[135][136]
- ↑ Het schrijn bevat de relieken van vier Maastrichtse bisschoppen, waarschijnlijk de relieken die in 1846 uit de pendanten verwijderd werden. De manier waarop het schrijn is samengesteld lijkt willekeurig: de pendanten A en D dienen als voor- en achtergevel; B en C zijn opgenomen in de zijgevels.
- Verwijzingen
- 1 2 3 4 Ubachs/Evers (2005), p. 375: 'Noodkist'.
- 1 2 Elizabeth den Hartog (2003): De weg naar het paradijs. Romaans Maastricht in beeld (tentoonstellingscatalogus Bonnefantenmuseum), p. X (inleiding). Vierkant Maastricht #38. Stichting Historische Reeks Maastricht, Maastricht. ISBN 90-5842-015-9.
- 1 2 Ahsmann (2017), p. 14.
- ↑ Janssens (2007), pp. 105-107.
- ↑ Kroos (1985), p. 31.
- ↑ De la Haye (2006), pp. 153-167.
- ↑ Kroos (1985), pp. 33-41.
- ↑ Mekking (1986), pp. 23-25, 44.
- ↑ Kroos (1985), p. 299.
- ↑ De la Haye (2006), pp. 153-161.
- ↑ De la Haye (2006), p. 161 noot 305; pp. 182-188.
- ↑ Koldeweij (1985), pp. 177-.
- ↑ Kroos (1985), p. 46.
- ↑ Flament (1915), p. 92.
- ↑ Den Hartog (2002), p. 327.
- ↑ Kroos (1985), pp. 49-53.
- ↑ Den Hartog (2002), pp. 101-118, 327.
- ↑ Wolfram von Eschenbach, Parzival, deel III, 158, verzen 14-16.
- ↑ Ahsmann (2017), pp. 33, 85-90.
- ↑ Timmers (1971), tekst omslag.
- ↑ Kroos (1985), p. 58.
- ↑ Doppler (1936), pp. 36-38.
- ↑ Ahsmann (2017), pp. 273-295.
- ↑ Kroos (1985), p. 52.
- ↑ Ahsmann (2017), pp. 160-162.
- ↑ Ahsmann (2017), pp. 30-125.
- ↑ Kroos (1985), p. 25.
- ↑ Ahsmann (2017), pp. 127-245.
- ↑ Kroos (1985), p. 355.
- ↑ Koldeweij/Van Vlijmen (1985), p. 61.
- ↑ Ahsmann (2017), pp. 151, 163.
- ↑ Kroos (1985), pp. 352-353, 381.
- ↑ Kroos (1985), p. 369.
- ↑ Kroos (1985), pp. 381-382.
- ↑ Ahsmann (2017), p. 186.
- ↑ Kroos (1985), p. 382.
- 1 2 Koldeweij (1985), pp. 247-258.
- ↑ Koldeweij/Van Vlijmen (1985), pp. 156-158.
- ↑ Van Rensch/Koldeweij/De la Haye/De Kreek (1990), pp. 135, 145, 149.
- 1 2 Ahsmann (2017), p. 167.
- 1 2 3 Kroos (1985), p. 394.
- ↑ Kroos (1985), pp. 242-251, 388-389, 392-394.
- ↑ De Stuers (1907), pp. 7-15.
- ↑ Bock/Willemsen (1872/1873), passim.
- ↑ Van Rensch/Koldeweij/De la Haye/De Kreek (1990), pp. 149-150.
- ↑ Kroos (1985), pp. 400-402.
- ↑ Ahsmann (2017), pp. 239-241.
- ↑ Kroos (1985), pp. 81-93; zie ook p. 77 noot 2.
- ↑ Kroos (1985), pp. 402-404.
- ↑ Zie foto op Wikimedia Commons.
- 1 2 Koldeweij/Van Vlijmen (1985), pp. 93-97.
- 1 2 Bagnoli e.a. (2010), p. 177.
- ↑ Ahsmann (2017), p. 177.
- ↑ Zie het themanummer over de restauratie van de Sint-Servaaskerk, Tijdschrift van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, jaargang 83 nr. 3, juli 1984, pp. 117-119 (online tekst).
- ↑ Titus Panhuysen, 'De Sint-Servaaskerk te Maastricht in de vroege middeleeuwen. Voorlopig eindverslag van de opgravingen door de dienst Stadsontwikkeling Maastricht in de periode 1981-1989', in: Bulletin KNOB, nr. 90, pp.15-24 (online tekst).
- ↑ G. Harmans (2001): Capitool Reisgidsen: Maastricht & Zuid-Limburg, pp. 54-55. Van Reemst Uitg. / Unieboek bv, Houten. ISBN 90-410-1847-6.
- 1 2 'Noodkist Servaas permanent naast het altaar in basiliek', in: De Limburger, 9 november 2020, geraadpleegd op 13 december 2022.
- ↑ Kroos (1985), p. 108 noot 289.
- 1 2 Kroos (1985), pp. 104-105.
- ↑ Timmers (1971), p. 329.
- ↑ Van Nispen tot Sevenaer (1926-1953), pp. 395-398.
- 1 2 Legner/Dumont (1972), pp. 245-246.
- ↑ Zie o.a. Van Nispen tot Sevenaer (1926-1953), p. 402.
- ↑ Kroos (1985), p. 94.
- 1 2 3 4 5 6 7 Latijnse tekst: Kroos (1985) en Ahsmann (2017). Nederlandse vertaling: Tagage (1987).
- ↑ Kroos (1985), pp. 143-190.
- 1 2 Timmers (1962), p. 59.
- ↑ Timmers (1962), p. 60.
- ↑ Kroos (1985), pp. 191-207.
- ↑ Ahsmann (2017), pp. 156-157.
- ↑ Kroos (1985), pp. 118 noot 377.
- ↑ Kroos (1985), p. 221.
- 1 2 Timmers (1962), p. 58.
- ↑ Kroos (1985), pp. 221-222.
- ↑ Timmers (1962), p. 65.
- ↑ Kroos (1985), pp. 221-237.
- ↑ Ahsmann (2017), p. 156.
- 1 2 Timmers (1962), p. 61.
- 1 2 Kroos (1985), pp. 208-220.
- 1 2 3 4 Ahsmann (2017), pp. 157-160.
- ↑ Timmers (1962), p. 63.
- 1 2 Kroos (1985), pp. 146-190.
- ↑ De la Haye (1992), p. 229.
- ↑ Stauffer (1991), pp. 18-20; 47-71.
- ↑ Stauffer (1991), pp. 36-37.
- ↑ Stauffer (1991), pp. 18-21.
- ↑ Bock/Willemsen (1872), p. 56 (nummering Duitstalige tekst).
- ↑ Bock/Willemsen (1872), pp. 55-57 (nummering Duitstalige tekst).
- ↑ Kroos (1985), p. 403.
- ↑ S. Minis, 'Een verstekeling in de Noodkist', in: De Sint Servaas, Restauratie-informatie bulletin, #82-4, p. 29.
- ↑ De la Haye (1992), p. 230.
- ↑ J. Bruijnzeels, 'Opening van de Noodkist', in: De Sint Servaas, Restauratie-informatie bulletin #1985-22, p. 184.
- ↑ Zie foto openen Noodkist op Wikimedia Commons.
- ↑ Stauffer (1991), pp. 6-7.
- ↑ Stauffer (1991), pp. 18-21, 47-71.
- 1 2 Timmers (1971), pp. 356-358.
- ↑ Mekking (1986), pp. 41-42.
- ↑ Van Rensch/Koldeweij/De la Haye/De Kreek (1990), p. 144.
- 1 2 Inventarisnummers 1036, 1037, 1038 en 1039 in de online catalogus van KMKG, geraadpleegd 14 januari 2026.
- 1 2 3 Legner/Dumont (1972), pp. 247-248.
- ↑ Ahsmann (2017), p. 174.
- ↑ Zie o.a. foto's pendant D op balat.kikirpa.be, geraadpleegd 14 januari 2025.
- ↑ Ahsmann (2017), pp. 168-169.
- ↑ Bock/Willemsen (1872), p. 137.
- ↑ Timmers (1971), pp. 356-358.
- ↑ Ahsmann (2017), p. 170.
- ↑ Kroos (1985), pp. 242-248.
- ↑ Koldeweij/Van Vlijmen (1985), pp. 93-94.
- 1 2 3 Ahsmann (2017), pp. 167-173.
- ↑ Kroos (1985), p. 253-255.
- ↑ Kroos (1985), p. 134.
- ↑ Koldeweij/Van Vlijmen (1985), p. 96.
- ↑ Kroos (1985), pp. 242-249.
- ↑ Mekking (1983), p. 183.
- ↑ Mekking (1986), pp. 40-43; p. 330 noot 90.
- ↑ Ahsmann (2017), pp. 9-11, 178.
- ↑ Ahsmann (2017), pp. 163-164.
- ↑ Koldeweij/Van Vlijmen (1985), p. 95.
- ↑ Ahsmann (2017), pp. 177-179, 215-234.
- ↑ Ahsmann (2017), passim.
- ↑ Zie noot 1.
- 1 2 Inv.nr. 1036, 1037, 1038 en 1039 in de online catalogus van de KMKG, geraadpleegd 25 februari 2026.
- ↑ Kroos (1985), p. 394 noot 124.
- ↑ Inv.nr. 0004 en 1035 in de online catalogus van de KMKG, geraadpleegd 20 januari 2026.
- ↑ Wim Swüste (2012): 'Sigismund Tagage', verschenen in: Information General Council FIC, tijdschrift van de Broeders van Maastricht/FIC, pp. 39-57 (online tekst).
- ↑ Kroos (1985), pp. 93-104.
- ↑ Ahsmann (2017), p. 160.
- ↑ Kroos (1985), pp. 120-124.
- ↑ Kroos (1985), pp. 105-107.
- ↑ Kroos (1985), p. 108.
- ↑ Timmers (1971), pp. 320-330.
- ↑ Legner/Dumont (1972), pp. 238-262.
- ↑ Legner/Dumont (1972), pp. 245-248.
- ↑ Kroos (1985), pp. 109-120.
- ↑ Den Hartog (2002), pp. 347-350.
- ↑ Den Hartog (2015), pp. 300-302.
- ↑ Ahsmann (2017), pp. 151-179.
- ↑ Kroos (1985), p. 394 noot 123.
- ↑ Kroos (1985), pp. 399-400.
- ↑ Zie foto gipsafgietsel op Wikimedia Commons.
- ↑ Inventarisnummers 1057.00, 0777.00 en 0778.00 in de online catalogus van KMKG, geraadpleegd 14 januari 2026.
- ↑ 'Bisschop Smeets bidt bij Noodkist van Sint-Servaas' en 'Noodkist terug in de Sint-Servaas', op kro-ncrv.nl, geraadpleegd op 22 mei 2022.
- ↑ Website Broederschap van Sint Servaas, geraadpleegd 22 januari 2026.
- ↑ Ubachs/Evers (2005), pp. 123-124: 'Cité Ouvrière'; p. 238: 'huisvesting'; p. 416: 'Poels, Hendrik Andreas'.
- ↑ Ad Knotter (2006?): 'Regout, de Sphinx en de sociale geschiedenis: van lieu de mémoire tot historische analyse' (PDF van lezing op website Tracé/SHCL, gearchiveerde link).
- ↑ G. Harmans (2001): Capitool Reisgidsen: Maastricht & Zuid-Limburg, p. 54. Van Reemst Uitg./Unieboek bv, Houten. ISBN 90-410-1847-6.
- ↑ Recensie in de Volkskrant, 22 oktober 2011.










