close
Naar inhoud springen

Noodkist

Etalagester
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Noodkist
Servatiusschrijn
De Noodkist in een glazen vitrine in de Schatkamer van de Sint-Servaasbasiliek (situatie tot 2020)
De Noodkist in een glazen vitrine in de Schatkamer van de Sint-Servaasbasiliek (situatie tot 2020)
Kunstenaar onbekend ('Paulusmeester', 'Petrusmeester')
Jaar ca. 1160-1170 (tot ca. 1200?)
Ontstaanslocatie Maastricht, Maasland
Huidige locatie noordertransept van de Sint-Servaasbasiliek, Maastricht
Stroming Maaslandse kunst, romaans
Materiaal eikenhouten kist bekleed met verguld koperen reliëfs, email, edelstenen
Lengte ca. 175 cm
Breedte ca. 46 cm
Hoogte ca. 74 cm
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur
Christendom
Maastricht
Noodkistpendanten
Noodkist en noodkistpendanten in Keulen (1972)
Noodkist en noodkistpendanten in Keulen (1972)
Huidige locatie Museum Kunst & Geschiedenis, Brussel
Lengte 56 cm
Hoogte 33 cm
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur
Brussel

De Noodkist, ook Servatiusschrijn genoemd, is het twaalfde-eeuwse reliekschrijn van Sint-Servaas, dat bewaard wordt in de Sint-Servaasbasiliek in de Nederlandse stad Maastricht. Bij het schrijn horen vier kleinere reliekhouders, aangeduid als 'pendanten', die zich sinds 1861 bevinden in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in de Belgische hoofdstad Brussel.

Het reliekschrijn bevat de vermeende relieken (beenderen) van de vierde- of vijfde-eeuwse bisschop Servatius ("Sint-Servaas"), volgens de legende de laatste bisschop van Tongeren en de eerste van Maastricht. Daarnaast bevat de kist relieken van de heilige Martinus van Tongeren, een voorganger van Servatius als bisschop van Tongeren. De aanduiding 'Noodkist' ontleent het schrijn aan het uit de middeleeuwen stammende gebruik om de kist met het gebeente van de beschermheilige van Maastricht in tijden van nood in processie door de stad te dragen. Daarmee meende men oorlogen, belegeringen, ziekten, plagen, hongersnoden en ander onheil te kunnen afwenden. Het schrijn vervult ook tegenwoordig nog een religieuze functie. De Brusselse pendanten, ontdaan van hun relieken, hebben die functie niet meer.[1]

Het eikenhouten, met verguld koper beklede schrijn en de vier bijbehorende reliekhouders in Brussel zijn rijk versierd met smeedwerk, emailleerwerk, bergkristallen en edelstenen. De in romaanse stijl vormgegeven reliëfs stellen onder anderen Jezus, de twaalf apostelen, bisschoppen en engelen voor. Op het schrijn is het laatste oordeel het hoofdthema; bij de pendanten is de betekenis van het afgebeelde minder duidelijk. De Noodkist en de Brusselse pendanten worden gerekend tot de hoogtepunten van de middeleeuwse edelsmeedkunst in de Lage Landen.[2][3]

Voor 1160: graf en relieken van Sint-Servaas

[bewerken | brontekst bewerken]
Sint-Servaascrypte met een sarcofaag die van elders afkomstig is
Sint-Servaascrypte: de sarcofaag is van elders afkomstig
Vieringscrypte met de laat-Romeinse sarcofaag van de bisschoppen van Maastricht
Vieringscrypte: 'sarcofaag van de bisschoppen van Maastricht', een van de voorlopers van de Noodkist

Over de periode tot aan het jaar 1160 is niet veel met zekerheid bekend over het graf van Servaas en over zijn relieken. Wel is er gedurende die tijd een orale traditie ontstaan waarin verhalen over het overlijden van Servaas, zijn graf en zijn relieken van generatie op generatie werden doorgegeven. Twee geschiedschrijvers uit die tijd hebben aandacht aan Servatius geschonken. De oudste is de zesde-eeuwse bisschop, hagiograaf en geschiedschrijver Gregorius van Tours. Van zijn hand is de eerste, zeer beknopte beschrijving van het leven van Sint-Servaas, gevolgd door het relaas over de bouw van de eerste, Merovingische kerk. De andere is de benedictijn Jocundus, die in de tweede helft van de elfde eeuw enige tijd verbonden was aan het Kapittel van Sint-Servaas en daar in opdracht van het kapittel de hagiografie van Sint-Servaas schreef.[4] Deze bestaat uit een Vita (levensbeschrijving) en een Miracula (wonderen). Een groot aantal beweringen in de Vita kunnen echter naar het rijk der fabels worden verwezen. Feitelijk creëerde Jocundus de Sint-Servaaslegende.

Volgens Gregorius van Tours overleed de laat-Romeinse bisschop Aravatius/Servatius van de Tungri (Aravatio Tungrorum episcopus) in Maastricht. Daar werd hij begraven langs de Romeinse heerweg, even buiten het castellum. Een latere overlevering plaatste die gebeurtenis in het jaar 384. Gregorius vermeldde over zijn tijdgenoot Monulfus, de toenmalige bisschop van Maastricht, dat deze het lichaam van Servaas had laten opgraven en bijzetten "in een ruimte onder het altaar" (vermoedelijk een crypte) in de door hem gebouwde grafkerk.[5] In de middeleeuwse kerkelijke traditie werd een dergelijke elevatio (verheffing tot de "eer der altaren") beschouwd als een onofficiële heiligverklaring.

Vijf eeuwen na Gregorius berichtte de monnik Jocundus over nóg een elevatio. Die zou zijn verricht door de Maastrichtse bisschop Hubertus (Hubertus van Luik?), in samenwerking met een onbekende bisschop Vulvegisus en in opdracht van een "keizer Karel".[noot 1] Daarbij werd, aldus Jocundus, het ongeschonden lichaam van Servaas ontdekt in de door Monulfus gebouwde grafkelder, tezamen met de drie hemelse doeken, het borstkruis en de sleutel van de heilige, evenals de door Servaas meegebrachte relieken van zijn Tongerse voorgangers. Het lichaam van Servaas werd overgeplaatst in een reliekschrijn, "van binnen verzilverd en van buiten verguld".[noot 2] Deze historisch moeilijk te rijmen gebeurtenissen zouden hebben plaatsgevonden op "de zevende van de iden van juni" (7 juni).[10] Het liturgische feest van de Translatie van Sint-Servaas werd al ten tijde van Jocundus − en nog steeds − gevierd op 7 juni. Op diezelfde dag wordt ook een andere, door Jocundus verhaalde gebeurtenis herdacht: de roof door de Maastrichtenaren van de relieken van Sint-Servaas uit Quedlinburg, na hun gedwongen overbrenging daarnaartoe op bevel van keizer Otto I.[11] Ook dit verhaal mist elke historische grondslag.[noot 3]

In het begin van de elfde eeuw liet proost Geldulfus een compleet nieuwe kerk bouwen. Deze werd in 1039 in het bijzijn van koning Hendrik III door twaalf bisschoppen gewijd, waarbij volgens Jocundus de relieken van Servatius, Monulfus, Gondulfus, Candidus en Valentinus in een stenen kist bij het hoofdaltaar werden geplaatst (vergelijk de relieken genoemd in de paragraaf Noodkistpendanten).[13] Deze kist is waarschijnlijk bewaard gebleven in de vieringscrypte van de kerk. Daar staat op een stenen altaar een beschilderde sarcofaag, die wordt aangeduid als 'sarcofaag van de bisschoppen van Maastricht'. De stenen kist met een schilddakvormig deksel is vermoedelijk laat-Romeins; de primitieve beschildering dateert waarschijnlijk uit de zeventiende eeuw.[noot 4]

Circa 1160-1200: totstandkoming van het schrijn

[bewerken | brontekst bewerken]

De twaalfde eeuw was een culturele bloeiperiode in het Luiks-Limburgse Maasland. Ook Maastricht profiteerde mee en beleefde tussen 1140 en 1170 een periode van ongekende bouwactiviteit.[15] Het kapittel van Sint-Servaas was op het toppunt van zijn macht. Verschillende proosten van Sint-Servaas, veelal afkomstig uit de hoogste kringen van de Duitse adel, bekleedden het ambt van kanselier van het Heilige Roomse Rijk.[16] De Duitse koningen en keizers bezochten met regelmaat het graf van Sint-Servaas en deden belangrijke schenkingen aan het kapittel. Onder de proosten Arnold van Wied, Gerard van Are en Christiaan van Buch werden grote delen van de kerk vernieuwd. Het zogenoemde Heimo-atelier, Maaslandse steenbeeldhouwers met Noord-Italiaanse wortels, werkten aan kapitelen en reliëfs, niet alleen in de directe omgeving van Maastricht, maar tot Utrecht, Bonn en Thüringen aan toe.[17] Wolfram von Eschenbach roemde de Maastrichtse (en Keulse) schilders.[18][19] De Maaslandse minnezanger Hendrik van Veldeke schreef zijn Leven van Sint-Servaas en gaf daarmee een nieuwe impuls aan de Servaasdevotie. De Maaslandse edelsmeedkunst bereikte in deze tijd een hoog niveau. Talrijke kerken en kloosters lieten reliekhouders en andere kerkelijke siervoorwerpen maken.[20]

Noodkistpendanten uit Brussel met bisschop die vanuit zijn graf omhoog kijkt, volgens Mekking en Ahsmann een donorportret van Christiaan van Buch
Noodkistpendanten uit Brussel met bisschop die vanuit zijn graf omhoog kijkt, volgens Mekking en Ahsmann een donorportret van Christiaan van Buch en Reinald van Dassel
Twee van de vier noodkistpendanten uit Brussel met bisschoppen die vanuit hun graf omhoog kijken, volgens Mekking en Ahsmann donorportretten van Christiaan van Buch en Reinald van Dassel

Het was in deze sfeer dat het Sint-Servaaskapittel omstreeks 1160 besloot het gebeente van de patroonheilige over te plaatsen naar een passender en waardiger schrijn. Van de toenmalige proost Gerard van Are is bekend dat hij in 1166 in Bonn, waar hij eveneens proost was, de relieken van drie heiligen vanuit hun stenen sarcofagen liet overplaatsen naar reliekschrijnen. Bij die gebeurtenis was de Keulse aartsbisschop Reinald van Dassel aanwezig, die volgens sommige auteurs eveneens korte tijd proost (of voogd) van de Sint-Servaaskerk was.[21] Wellicht deden Gerard van Are en Reinald van Dassel hetzelfde in Maastricht. Gerards opvolger Christiaan van Buch was eveneens een zeer ondernemend geestelijke.[22] Al deze prelaten komen in aanmerking als mogelijke opdrachtgevers van het nieuwe schrijn voor Sint-Servaas en de bijbehorende reliekhouders.[23]

De Nederlandse kunsthistoricus en specialist in Maaslandse kunst Joseph Timmers meende dat het schrijn van Sint-Servaas tussen 1160 en 1170 werd vervaardigd. Zijn Duitse collega Renate Kroos, auteur van een omvangrijke monografie over het Servatiusschrijn en de Brusselse pendanten, kwam tot de conclusie dat deze kunstvoorwerpen vermoedelijk in twee fasen tot stand waren gekomen en pas tegen het einde van de twaalfde eeuw werden voltooid. Volgens Kroos vond de overbrenging van het gebeente van Sint-Servaas naar de Noodkist plaats tussen 1196 en 1200.[24] Andere kunsthistorici, waaronder de Brit Peter Lasko en de Nederlander Fred Ahsmann, zetten vraagtekens bij deze lange productietijd.[25] De nauw met het Servatiusschrijn verbonden Brusselse reliekhouders zijn volgens Kroos eveneens rond die tijd voltooid. Vermoedelijk is in die periode het koor van de Sint-Servaaskerk voorzien van een uitgebreid programma van wand- en gewelfschilderingen, qua thematiek nauw aansluitend bij het reliekschrijn.[noot 5]

Over de relieken van Martinus van Tongeren, die zich sinds mensenheugenis in de Noodkist bevinden, is weinig bekend. Volgens de elfde-eeuwse legende van Sint-Servaas nam deze de relieken van zijn voorgangers, dus ook die van Martinus, mee toen hij uit Tongeren vertrok. Hun aanwezigheid in het schrijn van Sint-Servaas wordt pas in de eerste helft van de vijftiende eeuw voor het eerst vermeld. Wellicht noemde men het schrijn om die reden ook capsa pontificum of feretrum pontificum (schrijn of smeedwerk van de bisschoppen).[1][27]

Late middeleeuwen: hoogtij Sint-Servaasdevotie

[bewerken | brontekst bewerken]
Twee tekeningen van Martinus van Heylerhoff van het afgebroken reliekenaltaar voor het schrijn van Sint-Servaas en de pendanten
Altaar voor het schrijn van Sint-Servaas en de pendanten (tekeningen Van Heylerhoff, 1811)

In de late middeleeuwen (ca. 1270-1500) nam de devotie tot Sint-Servaas een hoge vlucht. Jaarlijks kwamen duizenden bedevaartgangers naar Maastricht om bij het graf van de heilige te bidden en de relieken (waaronder het schrijn van de heilige) te aanschouwen. Het schrijn en de bijbehorende pendanten stonden in deze periode vrijwel zeker op een speciaal daarvoor gebouwd stenen altaar (het summum altare), dat zich in het achterste deel van het hoogkoor bevond. Dit altaar was onderdeel van een volgens Ahsmann unieke koordispositie, waarvan ook de twaalfde-eeuwse muur- en gewelfschilderingen deel uitmaakten. Het middeleeuwse reliekenaltaar is mogelijk pas in 1811 vernietigd, toen de kerk volgens de toenmalige behoeften ingrijpend werd verbouwd. Tekeningen van Martinus van Heylerhoff uit die tijd tonen een groot altaar bestaande uit meerdere onderdelen. Het schrijn en de pendanten waren volgens Ahsmann opgenomen in een rijk versierd retabel, mogelijk aangevuld met andere reliekhouders, zoals de Einhardsboog en het patriarchaalkruis. De zijkanten en het dak van het Servatiusschrijn waren grotendeels aan het oog onttrokken door de capsa, een houten omhulsel, dat beschilderd en verguld was, en alleen op kerkelijke feestdagen werd verwijderd door de custos (schatbewaarder) van de kerk.[28]

Uit 1391 dateren de eerste berichten over de zevenjaarlijkse traditie van de heiligdomsvaart. Bij die gelegenheid werden dagelijks de voornaamste relieken van de Sint-Servaaskerk vanaf de dwerggalerij aan de verzamelde pelgrims op het Vrijthof getoond. De Noodkist was daar uiteraard te groot voor. Pelgrims kregen om die reden bij uitzondering toegang tot het hoogkoor, waar het schrijn getoond werd zonder de capsa. Het was dan zelfs toegestaan om de kist aan te raken.[29] In 1409 werd voor het eerst melding gemaakt van de gewoonte om in tijden van nood in processie met het schrijn langs de kerken en kapellen van de stad te trekken. De aan dat gebruik ontleende benaming Noodkist (Noetkasse)[noot 6] is nog ouder, voor het eerst vermeld in 1405.[30][31] Berichten over 'noodprocessies' zijn er ook uit 1445, 1475, 1488, 1519, 1529, 1543, 1550, 1587, 1628, 1676 (twee maal) en 1677.[noot 7]

Nieuwe tijd: achteruitgang Sint-Servaasdevotie

[bewerken | brontekst bewerken]
Reliekhouders van de Sint-Servaaskerk, getekend door deken Pleugmaeckers omstreeks 1750.
Reliekhouders Sint-Servaaskerk met links in het midden een weinig realistische weergave van de Noodkist (tekening door deken Pleugmaeckers, ca. 1750)

Door de Reformatie en de voortdurende oorlogsdreiging nam het aantal bedevaartgangers naar Maastricht in de zestiende eeuw sterk af. Wel vonden na 1579, in de tijd van de rekatholisering, talrijke 'noodprocessies' plaats.[32] Nadat de stad in 1632 in handen was gekomen van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (voor een deel althans; de stad bleef tot 1794 tweeherig), was het tonen van de Noodkist en het houden van processies buiten de claustrale singel van de kerk niet langer toegestaan.[33] In 1634 zag men zich vanwege aanhoudende oorlogsdreiging genoodzaakt een groot deel van de kerkschat in veiligheid te brengen bij het Luikse kapittel van Sint-Lambertus. Het schrijn van Sint-Servaas bleef in Maastricht, maar zijn relieken − die men klaarblijkelijk hoger achtte dan de kist − werden in een kleinere kist mee naar Luik gestuurd. Pas in 1654 keerden ze terug. In 1676, tijdens de Hollandse Oorlog, werd het schrijn op aandringen van de magistraat in veiligheid gebracht in de crypte.[34]

Meestal stond de kist in deze periode op het eerder vermelde stenen reliekenaltaar op het hoogkoor, in de loop van de zeventiende eeuw echter zonder capsa, die na 1627 niet meer genoemd wordt.[35] Uit 1668 dateert de eerste vermelding van de noodkistpendanten door Godefridus Henschenius, die ze beschrijft als reliekhouders van Monulfus, Gondulfus, Candidus en Valentinus. Uit een Franstalige beschrijving van de kerk uit 1744 valt op te maken dat de pendanten naast het Servatiusschrijn op het kooraltaar stonden.[36]

Negentiende eeuw: herleving Sint-Servaasdevotie

[bewerken | brontekst bewerken]
Dubbele afbeelding. Links een tekening door Philippe van Gulpen uit circa 1840 van de noodkistpendanten en het borstbeeld van Sint-Servaas. Rechts een houtsnede door Lambris & Brend'amour uit 1872 van de reliekgevel van Candidus
Links: noodkistpendanten en borstbeeld van Sint-Servaas (tekening Van Gulpen, ca. 1840); rechts: H. Candidus (houtsnede Lambris & Brend'amour, 1872)
Houtsnede van de Noodkist in de publicatie van Bock & Willemsen over de Maastrichtse kerkschatten uit 1872
Houtsnede in de publicatie van Bock & Willemsen over de Maastrichtse kerkschatten (1872)
Tekening van een reliekenprocessie met de Noodkist bij de opening van de schatkamer in 1873. Linksonder mecenas Petrus Regout.
Reliekenprocessie met de Noodkist bij de opening van de schatkamer in 1873; linksonder mecenas Petrus (I) Regout

In de Franse tijd (1794-1814) werd het Sint-Servaaskapittel opgeheven. De kapittelkerk kreeg een herbestemming als militair magazijn en een groot deel van de kerkinventaris werd verkocht of vernield. De Noodkist werd enige tijd verborgen − door wie en waar is niet bekend − en verbleef daarna in de Dominikanenkerk, waar de parochie tijdelijk onderdak had gevonden. In 1805 keerde het schrijn terug naar de opnieuw in gebruik genomen Sint-Servaaskerk, die nu parochiekerk werd. In 1811-1812, nog in de Franse tijd, werd de kerk inwendig verbouwd. Daarbij werd de vieringscrypte gesloopt, het hoogkoor verlaagd en het altaar voor de Noodkist afgebroken. Het schrijn stond een tijd lang opgesteld in de Sint-Jozefkapel, een zijkapel grenzend aan de zuidbeuk. Het werd in die tijd (opnieuw) afgeschermd door een houten omhulsel, dat alleen op kerkeklijke feestdagen werd verwijderd.

De vier bij het Servatiusschrijn behorende reliekhouders werden in 1846 door pastoor Van Baer verkocht − mogelijk via tussenpersonen − aan de Russische prins Peter Soltykoff (of Saltykov), een gedreven verzamelaar van middeleeuwse kunstvoorwerpen. Van de opbrengst werd een nieuwe processiehemel aangeschaft.[noot 8] Bij de veiling van de collectie Soltykoff in 1861 toonde het Maastrichtse kerkbestuur geen belangstelling voor terugkoop van de pendanten,[noot 9] waarna ze in de collectie van het Brusselse Jubelparkmuseum (thans Museum Kunst & Geschiedenis) terechtkwamen.[42] In 1907 publiceerde jhr. Victor de Stuers een artikel, waarin de kwalijke gang van zaken rondom de verkwanseling van de pendanten uit de doeken werd gedaan.[43]

Schematische tekening van de opstelling van de Noodkist met de pendanten en daarachter de cenotaaf van Monulfus en Gondulfus op het hoogkoor, volgens het plan van Pierre Cuypers uit circa 1895.
De Noodkist (geel) met pendanten (oranje) en daarachter de cenotaaf van Monulfus en Gondulfus op het hoogkoor, volgens het plan van Cuypers, ca. 1895

Een belangrijk keerpunt in de herwaardering van de kerkschat was de publicatie in 1872 van de Duitstalige studie Die mittelalterlichen Kunst- und Reliquienschätze zu Maestricht door de Akense kanunnik en kunsthistoricus Franz Bock en de Maastrichtse kapelaan Michaël Willemsen, een jaar later gevolgd door een Franstalige versie en in 1874 afgesloten met een Nederlandstalige samenvatting.[44] In diezelfde periode verhuisde de kerkschat naar een nieuw ingerichte schatkamer, ontworpen door Pierre Cuypers en gesponsord door de industrieel Petrus (I) Regout. Door dit alles kwamen de Noodkist en de andere kerkschatten opnieuw in het middelpunt van de belangstelling te staan.[45] Tekenend voor de veranderde geest was het besluit van de toenmalige pastoor-deken Rutten om in 1888 kopieën te bestellen van de noodkistpendanten, die enkele decennia eerder door zijn voorganger waren verkocht.[41]

Eind negentiende en begin twintigste eeuw onderging de Servaaskerk een ingrijpende restauratie onder leiding van architect Cuypers. Hierbij werden de desastreuse ingrepen van 1811 deels teruggedraaid. Het hoogkoor en de daaronder gelegen crypte werden herbouwd. Het middeleeuwse altaar voor de Noodkist, dat eveneens in 1811 was gesloopt, werd daarentegen niet hersteld. In plaats daarvan bedacht Cuypers een historiserende opstelling, waarvan zowel het schrijn van Servatius als de kopieën van de pendanten deel uitmaakten, en daarnaast de in 1890 opgegraven elfde-eeuwse cenotaaf van Monulfus en Gondulfus. Dit devotionele ensemble kreeg een ereplaats in de apsis van de kerk, achter het in 1891 gereedgekomen neoromaanse hoogaltaar. De sokkel voor de Noodkist was zodanig geconstrueerd dat men er in aanbidding onderdoor kon lopen, naar het voorbeeld van sommige middeleeuwse kerken; een situatie die in Maastricht nooit had bestaan. De Cuypersconstellatie zou volgens Renate Kroos ongeveer 35 jaar standhouden (ca. 1895-1929), hoewel er geen foto's van bewaard zijn gebleven.[noot 10] Fred Ahsmann is van mening dat het plan van Cuypers niet werd uitgevoerd.[47]

Twintigste en eenentwintigste eeuw: voorwerp van devotie en kunstschat

[bewerken | brontekst bewerken]
De kopieën van de noodkistpendanten in de Heiligdomsvaart van 1948
Noodkistpendanten (kopieën) in de Heiligdomsvaart van 1948
Het bevestigen van de Noodkist op de draagbaar door leden van de Broederschap van Sint Servaas in de Heiligdomsvaart van 1990.
Heiligdomsvaart 1990: bevestigen van de Noodkist op de draagbaar door leden van de Broederschap van Sint Servaas
De Noodkist in de nieuwe schatkamer anno 2020.
In de nieuwe schatkamer (2020)
De Noodkist in het noordertransept anno 2025.
In het noordertransept (2025)

In aanloop naar de Heiligdomsvaart van 1916 werd de Broederschap van Sint Servaas opgericht, waarvan de leden als beschermers en dragers van de Noodkist optreden. In 1929 werd een voormalig Vrijthofportaal ingericht als devotiekapel voor het schrijn, dat dwars in de kapel werd geplaatst, met de Pauluszijde naar voren.[noot 11] Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog stond het schrijn weer korte tijd op het hoogkoor, vanaf 1941 in de crypte en in de jaren 1950 in het Bergportaal. Later verhuisde de kist naar de oude schatkamer, tegenwoordig in gebruik als dagkapel (zie Sint-Servaaskapel).

De Noodkist tijdelijk opgesteld in het Bergportaal in 1917.
De Noodkist in het Bergportaal (tijdelijke opstelling, 1917?)[noot 12]
Schatbewaarder broeder Sigismund Tagage bij de Noodkist in de oude schatkamer in 1972.
Schatbewaarder broeder Sigismund Tagage F.I.C. bij de Noodkist in de oude schatkamer (1972)

In 1960-1962 werd de Noodkist door Edelsmidse Brom uit Utrecht gerestaureerd, een restauratie die door sommige experts sterk werd bekritiseerd.[noot 13] Na de restauratie kreeg het schrijn een plaats in de vieringscrypte. Daar stond de kist op een marmeren plaat, ondersteund door vier hoge zuiltjes en afgeschermd door een glazen omhulsel. In feite was dit dezelfde, door Cuypers bedachte opstelling voor het hoogkoor; men kon dus nog steeds onder het schrijn door lopen. In de jaren 1970 stond de kist weer in de (oude) schatkamer.[49]

In 1972, tijdens de grote tentoonstelling Rhein und Maas in Keulen (later dat jaar in Brussel te zien als Rhin-Meuse / Rijn en Maas), was het complete ensemble van Noodkist en (originele) pendanten nog eenmaal in de veronderstelde oorspronkelijke opstelling te zien.[noot 14] Het was de laatste keer dat het schrijn Maastricht verliet. Het museum in Brussel leende de Maastrichtse pendanten incidenteel uit. Zo waren de twee exemplaren met bisschoppen in een halfronde nis in 1985 te zien in de tentoonstelling Schatkamers uit het Zuiden in het Museum Catharijneconvent in Utrecht.[51] Diezelfde pendanten waren in 2010-2011 onderdeel van de reizende tentoonstelling Treasures of Heaven in het Cleveland Museum of Art in Cleveland, het Walters Art Museum in Baltimore en het British Museum in Londen.[52][noot 15]

Van 1979 tot 1993 werd de Sint-Servaaskerk opnieuw gerestaureerd, waarbij onder andere een nieuwe schatkamer werd gerealiseerd. De vraag of de inwendige decoratie van de kerk uit de tijd van Cuypers moest worden gehandhaafd, hield de gemoederen in Maastricht jarenlang bezig.[54] Enkele spectaculaire archeologische vondsten door stadsarcheoloog Titus Panhuysen deden de belangstelling voor de kerk en zijn schatkamer nog toenemen.[55] Een door schatbewaarder Sigismund Tagage verzorgd maandelijks informatiebulletin hield belangstellenden op de hoogte. Er verschenen belangrijke studies over de kerkschatten, waaronder monografieën over het Servatiusschrijn (Renate Kroos, 1985), de Servatiana (A.M. Koldeweij, 1985) en de middeleeuwse textielschat (Annemarie Stauffer, 1991). De student Fred Ahsmann schreef in deze tijd zijn doctoraalscriptie over de grotendeels verdwenen wand- en gewelfschilderingen in het koor. Het onderwerp zou hem niet loslaten en na een onderbreking van vele jaren verscheen in 2017 een rijk geïllustreerd boek over de middeleeuwse inrichting van het koor, waarbij de iconografische verbanden tussen het schrijn, de pendanten en de koorschilderingen veel aandacht kregen.

Vanaf 1982 vonden de Noodkist en de kopieën van de Brusselse pendanten onderdak in de nieuwe schatkamer in de Dubbelkapel, waar ze een ereplaats kregen op de benedenverdieping. Daar zouden ze bijna veertig jaar lang een trekpleister vormen voor de kerk en de stad Maastricht.[56] Tijdens de coronapandemie besloten deken Dautzenberg en het kerkbestuur dat het schrijn niet thuishoorde in een museale omgeving, maar terug moest keren in de kerk, liefst in de nabijheid van het altaar. In november 2020 verhuisde het ensemble naar het noordertransept van de kerk.[57] Het reliekschrijn staat in een beveiligde glazen vitrine op een speciaal daartoe vervaardigd podium, waarin ook vitrines voor de pendanten zijn opgenomen en waarop tekstborden met uitleg zijn bevestigd.

Beschrijving Noodkist

[bewerken | brontekst bewerken]

De Noodkist is een vrijwel rechthoekige eikenhouten kist met een zadeldak, waarvan alle buitenzijden zijn bekleed met verguld koper. De vorm van de kist verwijst naar het 'hemelhuis'.[noot 16] Het schrijn weegt inclusief de inhoud ongeveer 220 kg. De lange zijden van de kist worden, naar de heiligen die erop afgebeeld zijn, respectievelijk Petruszijde en Pauluszijde genoemd. De Petruszijde is met 174,5 cm bijna een centimeter korter dan de Pauluszijde, die 175,3 cm meet. De korte zijden heten Christuszijde en Servaaszijde en worden vaak aangeduid als gevelstukken, vanwege hun gelijkenis met puntgevels. De Christuszijde is 46,5 cm breed en de Servaaszijde 45,9 cm. Ook qua hoogte is er een (geringe) afwijking tussen de Christuszijde van 73,6 cm en de Servaaszijde van 73,8 cm. Rondom de gevelstukken en over de nok van het schrijn loopt een circa 3,5 cm brede kam (sierrand). Deze is bij de hoogte van de kist niet meegerekend.[59][noot 17]

Edelsmeedtechnieken

[bewerken | brontekst bewerken]
Vulmassa van de reliëffiguren, tijdens de restauratie vervangen.
Vulmassa van reliëffiguren (vervangen tijdens restauratie)

Het schrijn is bekleed met koperplaten, waarin door middel van hamer- en drijfwerk reliëfvoorstellingen zijn aangebracht. De hoogreliëfs zijn uit brons gegoten. Bij het modelleren van de grotere figuren is gebruikgemaakt van een wasachtige vulmassa, die het giet- en drijfwerk een zekere stabiliteit geeft. Na het bewerken is het koper verguld. Het schrijn is verder versierd met onder andere stanswerk, filigraan- en pointilleerwerk, emailleerwerk (champlevé of groevenemail), bruinvernis, bergkristallen, edelstenen, cabochons, antieke gemmen en een laat-Romeinse camee.[61][62]

Uit kunsthistorische analyse van het smeedwerk is gebleken dat er minstens twee kunstenaars aan het schrijn gewerkt hebben. Een van hen gaf zijn figuren meer individuele trekken mee. Ook zijn er verschillen waar te nemen in de kwaliteit van het bruinvernis.[62] Over de identiteit van de meesteredelsmeden is niets met zekerheid te zeggen. Dat geldt ook voor de door meerdere auteurs genoemde Godfried van Hoei, ook wel Godefroid de Claire genoemd.[63][noot 18]

BERJAYA Zie verder onder Kunsthistorische analyse

De talrijke reliëfs op de Noodkist verbeelden iconografisch het laatste oordeel. Christus en Sint-Servaas, afgebeeld op de gevelstukken, spelen daarbij de hoofdrol. De twaalf apostelen op de lange zijden van het schrijn zijn hier mederechters.[noot 19] De lange zijden worden genoemd naar de twee apostelen die direct grenzend aan het Christuspaneel zijn afgebeeld: aan de rechterzijde is dat Petrus, de "eerste onder de apostelen", later de eerste paus, en aan de linkerzijde Paulus, de later toegetreden apostel, ook wel "apostel der heidenen" genoemd. Beide lange zijden worden met elkaar verbonden door een doorlopende tekst die in bruinvernis is aangebracht onder de nissen waarin de apostelen zijn gezeten. Deze tekst is een parafrase van een vers uit het Evangelie volgens Matteüs, dat verwijst naar het laatste oordeel, waarbij de apostelen als mederechters zullen optreden.[noot 20]

De dakvlakken die corresponderen met de Petrus- en Pauluszijde worden respectievelijk Misericordiazijde en Veritaszijde genoemd, naar de personificaties van het medelijden (Misericordia) en de waarheid (Veritas). Op het dak zijn reliëfs van de uitverkorenen en de verdoemden te zien, omringd door engelen. Op de boven- en onderranden van de dakvlakken, doorlopend aan beide zijden van het schrijn is opnieuw een tekst uit het Matteüsevangelie aangebracht, hoofdstuk 25 vers 35-45. De juiste lezing ervan, in de goede volgorde, is van essentieel belang voor het begrijpen van de afgebeelde reliëfs.[noot 21] Daartussen moeten voor een goed begrip de vragen van de rechtvaardigen en onrechtvaardigen op de banderollen gelezen worden (zie hieronder). Het gebruik en de interpretatie van deze teksten is ontleend aan de gangbare theologische inzichten in de twaalfde eeuw, met name aan de geschriften van Rupert van Deutz.[66]

Christuszijde

[bewerken | brontekst bewerken]

Aan de Christuszijde is de tronende Christus afgebeeld als opperste rechter (Majestas Domini). In zijn rechterhand houdt hij een wereldbol, in zijn linkerhand, steunend op zijn knie, een opengeslagen boek met een Bijbeltekst waarin zijn wederkomst als beloner van de rechtvaardigen wordt aangekondigd. De tekst sluit aan bij het hoofdthema van het schrijn, het laatste oordeel.[noot 22] Achter zijn troon en onder zijn voeten vloeit water. De Christusfiguur wordt geflankeerd door twee levensbomen, elk zes vruchten dragend, en een Alfa en Omega ter hoogte van zijn schouders.[noot 23] Het tafereel is afgebeeld onder een met filigraan en edelstenen versierde drielobboog. Deze wordt omgeven door een drietal sierranden, van binnen naar buiten: een rand met geciseleerd gebladerte en ranken, een tekstband in bruinvernis,[noot 24] en een rand met afwisselend filigraanplaatjes met ingelegde edelstenen en champlevéplaatjes met verschillende patronen en kleuren, symmetrisch gerangschikt. Daaromheen bevindt zich aan vier zijden een gegoten kam, die circa 3,5 cm buiten het gevelvlak uitsteekt en versierd is met palmetten.[69][70] De kam, die om praktische redenen aan de onderzijde van de kist ontbreekt, is bij de restauratie in 1960-62 geheel vernieuwd.[71]

Op het tegenoverliggende gevelstuk staat Sint-Servaas afgebeeld, geflankeerd door twee, iets kleiner weergegeven engelen.[noot 25] Servaas is gekleed in zijn bisschopsgewaad, met pallium[noot 26] en mijter.[noot 27] De zomen van het gewaad, het pallium en de mijter waren oorspronkelijk rijkversierd met filigraan en edelstenen, maar daarvan ontbreken nu delen. De bisschop toont zijn handpalmen als in gebed. De linker engel hield oorspronkelijk een bisschopsstaf vast. Deze is verwijderd tijdens de restauratie van 1960-62 (onterecht, volgens Kroos en Ahsmann). De rechter engel houdt een opengeslagen boek vast met een tekst die ook hier verwijst naar het thema van het laatste oordeel, zoals uitgebeeld op de dakreliëfs, waar engelen hemelse gewaden uitreiken aan de rechtvaardigen.[noot 28] De drie figuren staan ook hier onder een drielobboog, omgeven door dezelfde sierranden en een gegoten sierkam, die in dit geval oorspronkelijk is (zie Christuszijde). De tekst in bruinvernis op de middelste sierrand verwijst naar Sint-Servaas, zijn Tongerse herkomst en zijn relieken in Maastricht.[noot 29][76][77]

De Petruszijde van de Noodkist.
Petruszijde van de Noodkist (2017)

Aan de Petruszijde worden zes zittende apostelen getoond, paarsgewijs gegroepeerd onder een dubbele arcade binnen een diepliggende, rechthoekige omlijsting. De dubbele arcades worden ondersteund door vierkante pijlers of pilasters. Van elk paar kijkt één figuur recht voor zich uit; de ander kijkt hem min of meer aan. Van links naar rechts zijn afgebeeld: Petrus en Andreas, Matteüs en Tomas, en Judas Taddeüs en Simon.[noot 30] De apostelen zijn vormgegeven als gegoten bronzen hoogreliëfs, bijna vrijstaande beeldhouwwerkjes binnen een holle nis. In elke nis staat de naam van de betreffende apostel in reliëf vermeld. Allen, op Petrus na, houden een banderol vast met een korte Bijbeltekst.[noot 31] De zitbanken zijn in enkele gevallen gedecoreerd met filigraanwerk of bruinvernis. Alleen de banken van Petrus en Simon zijn voorzien van een rugleuning.[79][80]

Op het 'dak' zijn aan de Misericordiazijde de uitverkorenen afgebeeld in drie medaillons. Onder hen bevinden zich mannen en vrouwen, priesters, kloosterlingen en leken.[81] Ze houden banderollen vast waarop teksten staan uit het Matteüsevangelie; deze teksten moeten gelezen worden in samenhang met de langere teksten op de boven- en onderrand van de beide dakvlakken.[noot 32] Naast de medaillons bevinden zich in laagreliëf afgebeelde engelen met bazuinen, engelen die hemelse gewaden uitreiken aan de rechtvaardigen (aangeduid als IVSTI) en de engel Misericordia die hen kronen aanreikt.[82][80]

De Pauluszijde van de Noodkist.
Pauluszijde van de Noodkist (2023)

De andere lange zijde van het schrijn, de Pauluszijde, is op een vergelijkbare wijze ingedeeld als de Petruszijde. Hier, ter linkerzijde van Christus, zijn de overige zes apostelen afgebeeld, eveneens twee aan twee: Paulus en Jakobus de Meerdere, Johannes en Bartolomeüs, en Jakobus de Mindere en Filippus. Ook hier worden de apostelen met naam aangeduid en dragen allen, met uitzondering van Paulus en Filippus, een banderol met een (deel van een) Bijbeltekst.[noot 33][79][80]

Op het dak zijn ook hier, aan de Veritaszijde, drie medaillons aangebracht, nu met afbeeldingen van de verdoemden. Dezen stellen min of meer dezelfde vragen als de uitverkorenen op de Misericordiazijde, echter nu met de toevoeging van het woordje NON (niet). De kleur van de banderollen is donkerder dan aan de andere kant. De teksten moeten ook nu weer gelezen worden in samenhang met de langere tekst op de dakranden. Naast en tussen de medaillons zijn engelen met bazuinen te zien, de engel Veritas die de goede werken (aangeduid als BONA OPERA) van de verdoemden weegt (aangeduid als MALEDICTI) en engelen die hen het doopkleed ontnemen.[82][80]

Inhoud Noodkist

[bewerken | brontekst bewerken]

De Noodkist is bij verschillende gelegenheden geopend. Hoe vaak dit in de middeleeuwen gebeurde, is niet bekend. Omstreeks 1403 werd een deel van de aan Sint-Servaas toegeschreven schedel uit het schrijn verwijderd, die vervolgens in een zilveren reliekbuste werd geplaatst (zie borstbeeld van Sint-Servaas). In 1554, 1611, 1634 en 1655 werd de kist opnieuw geopend en de inhoud gedocumenteerd. Er werden relikwieën aangetroffen, die volgens de bijgevoegde attesten (cedulae of schedulae genoemd) van zowel Servaas als Martinus van Tongeren zouden zijn. Van laatstgenoemde bisschop, over wie vrijwel niets bekend is, zou in 1611 het volledige lichaam zijn aangetroffen.[83] Sommige relieken waren in kostbare oosterse stoffen gewikkeld. Enkele uit het schrijn afkomstige stoffen, waaronder de zogenoemde albe van Sint-Servaas (herkomst onbekend, middeleeuws) en de grafdoek van Sint-Martinus van Tongeren (Rijn-Maasgebied, begin twaalfde eeuw), behoren tot de hoogtepunten van de textielschat van de Sint-Servaaskerk.[noot 34] Na 1655 bleef de kist meer dan twee eeuwen gesloten.

Zogenaamde leeuwenstof, afkomstig uit de Noodkist, mogelijk in 1863 verknipt door Franz Bock.
'Leeuwenstof', afkomstig uit de Noodkist, vermoedelijk verknipt door Franz Bock in 1863 (zijde, Centraal-Azië, tiende of elfde eeuw)[85]

Pas in 1863 werd de inhoud van het schrijn aan een zorgvuldig onderzoek onderworpen, waarbij de inhoud sinds 1611 onveranderd bleek. Aangetroffen werden vijf pakketjes, verpakt in zijde, linnen of leer, die met leren bandjes aan de binnenkant van de kist waren bevestigd.[noot 35] Aan elk pakket was een loden plaatje of een strookje perkament (cedula) bevestigd met een Latijnse tekst, ter identificatie van de relieken. In het eerste bevonden zich kledingstukken, waarvan geloofd werd dat ze van Servaas waren geweest, in het tweede 29 beenderen, volgens de cedula van Martinus van Tongeren, in het derde de vermeende 'as' (vergane botresten) van het lichaam van Servaas, in het vierde een groot en diverse kleinere beenderen, volgens de cedula van Servaas, en in het vijfde wederom as en kleine beenderen, eveneens toegeschreven aan Servaas.[noot 36] De relieken werden na enkele dagen onderzoek in de oorspronkelijke oude, en in sommige gevallen nieuwe zijden stoffen gewikkeld, voorzien van het bisschoppelijke zegel en teruggeplaatst in de kist. Het door de aanwezigen ondertekende protocol van de reliekeninspectie werd toegevoegd, waarna het schrijn aan de vier hoeken werd verzegeld.[88][89]

Openen van de Noodkist (bioscoopjournaal, 19-1-1958)

In verband met de op handen zijnde restauratie werd de kist in januari 1958 opnieuw geopend om de relieken tijdelijk te verwijderen. Het openen gebeurde door het schrijn op zijn kant te leggen en de onderkant te verwijderen. De reliekenpakketjes werden na inspectie door bisschop Hanssen van Roermond overgeplaatst in een kleinere, ruwhouten kist, die daarna werd verzegeld.[noot 37] In 1961 werd de inhoud ervan opnieuw gecontroleerd. Ditmaal werden enkele relieken verwijderd voor nader onderzoek, waaronder een fragment van een aan Martinus van Tongeren toegeschreven dijbeen. Nadat de restauratie van het schrijn begin 1962 was voltooid, werd de ruwhouten reliekenkist teruggeplaatst. In 1963 werd het genoemde reliek van Martinus onderzocht door de afdeling Isotopenfysica van het Natuurkundig Laboratorium van de Rijksuniversiteit Groningen. Door middel van een C14-datering kon met 95% zekerheid worden vastgesteld dat dit bot had toebehoord aan een persoon die in de vijfde of zesde eeuw had geleefd. Dat zou betekenen dat hij na Servaas leefde en niet ervoor, zoals werd aangenomen.[91] Of de andere beenderen die in 1961 waren verwijderd ook zijn onderzocht, is niet bekend.

De laatste keer dat het schrijn werd geopend was op 21 september 1985, toen hulpbisschop Castermans een reliek afkomstig uit een klooster in Koblenz bijplaatste.[92] Op foto's is te zien dat de relieken zich toen bevonden in de eenvoudige kist waarin ze in 1958 waren opgeborgen. Niet bekend is of de binnenwanden van de Noodkist bekleed zijn. De bodem is dat in elk geval niet, zoals op beelden uit 1958 en 1985 is te zien.[93]

Op het dijbeenfragment na, dat aan Martinus van Tongeren wordt toegeschreven, zijn de in het schrijn bewaarde beenderen voor zover bekend nooit wetenschappelijk gedateerd. De toeschrijving aan de laat-Romeinse bisschoppen Servaas en Martinus is om die reden een kwestie van geloof. De zes textielfragmenten, waarvan vaststaat dat ze afkomstig zijn uit de Noodkist, zijn wel wetenschappelijk onderzocht.[noot 38] Vier van de zes weefsels dateren uit de tiende of elfde eeuw. De zogenaamde albe van Sint-Servaas is middeleeuws, maar kon niet nader worden gedateerd. Het oudst is een Byzantijns zijdeweefsel uit de zevende of achtste eeuw, dat ook wel bekend staat als dioskourenstof. Daarmee staat in elk geval vast dat geen van de stoffen uit de Noodkist uit de tijd van bisschop Servatius stamt.[95]

Noodkistpendanten

[bewerken | brontekst bewerken]

Brusselse originelen

[bewerken | brontekst bewerken]
Achterkant van pendant B uit Brussel, waarbij het reliekkastje is verwijderd.
Achterkant van pendant D uit Brussel met intact reliekkastje.
Achterkant pendant B en D (Brussel, 1972); bij B is het reliekkastje verwijderd
Pendant A in Brussel tijdens restauratie in 1996.
Pendant C in Brussel tijdens restauratie in 1996.
Pendant A en C in restauratie (Brussel, 1996)

In het Brusselse Museum Kunst & Geschiedenis, onderdeel van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis (KMKG), bevinden zich sinds 1861 vier oorspronkelijk bij het Servatiusschrijn behorende reliekgevels of -tafels.[noot 39] Deze verguld koperen reliekhouders uit de tweede helft van de twaalfde eeuw worden in de vakliteratuur meestal aangeduid als noodkistpendanten of Brusselse pendanten. Ze zijn iets kleiner (56 × 33 cm) dan de gevelstukken van de Noodkist, maar hebben dezelfde vorm en zijn op een vergelijkbare wijze bewerkt en versierd met drijf- en gietwerk, email champlevé en bruinvernis, omgeven door een gegoten kam (sierrand) en bekroond door pijnappels of bloemvormige ornamenten.[100] Ze bevatten tot 1846 relieken van de heilige bisschoppen Monulfus, Gondulfus, Candidus en Valentinus, die mogelijk pas in de zeventiende eeuw waren toegevoegd en voorafgaand aan de verkoop in 1846 werden verwijderd.[101] Bij twee reliekgevels zijn aan de achterkant de opbergkastjes voor de relieken nog aanwezig; bij de andere zijn ze verwijderd. In 1972, ten tijde van de tentoonstelling Rijn en Maas, zijn ze uitgebreid gefotografeerd door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK), en in 1996 opnieuw, tijdens en na een restauratie.[102]

Maastrichtse kopieën

[bewerken | brontekst bewerken]

De Sint-Servaaskerk bezit sinds 1888 verguld koperen kopieën van de Brusselse pendanten, vervaardigd in het atelier van de firma Wilmotte in Luik.[41] Tussen circa 1895 en 1930 maakten deze deel uit van de door Cuypers bedachte kooropstelling (zie hierboven). Daarna verhuisden ze naar de schatkamer, waar ze tot 2020 waren te zien, tot ze deel gingen uitmaken van de huidige opstelling van de Noodkist in het noordertransept van de kerk. Een tweede set kopieën werd vermoedelijk al eerder vervaardigd. Deze monochrome, niet-vergulde panelen zijn opgenomen in een neoromaans reliekschrijn, dat zich anno 2026 in de schatkamer bevindt.

Iconografie en stijlkenmerken

[bewerken | brontekst bewerken]

De reliektafels A en B[noot 40] lijken sterk op elkaar: op beide panelen kijkt een bisschop vanuit een boogvormige nis (een grafkelder?) omhoog naar een engelenpaar dat de voor hem bestemde hemelkroon krijgt aangereikt door de hand van God. In de traditionele opvatting, gepropageerd door de zeventiende-eeuwse bollandisten Henschenius en Papebrochius, stellen dit de Maastrichtse bisschoppen en kerkenbouwers Monulfus en Gondulfus voor. Deze interpretatie, wellicht ingegeven door het feit dat deze bisschoppen vaak tezamen worden afgebeeld en dezelfde naamdag hebben, is door onder andere Kroos en de KMKG overgenomen.[noot 41] Mekking en Ahsmann zijn ervan overtuigd dat dit donorportretten van de twaalfde-eeuwse aartsbisschoppen Christiaan I van Buch en Reinald van Dassel zijn.[noot 42] De boogrondingen van beide nissen bevatten ingegraveerde Latijnse teksten die, zo blijkt uit de context, door de engelen worden uitgesproken.[noot 43] De taferelen met bisschoppen en engelen zijn op paneel A en B onder een drielobboog geplaatst, omgeven door een drietal sierranden en een gegoten kam, bekroond door een pijnappel. De binnenste rand in bruinvernis is op beide panelen versierd met ranken en gebladerte, eindigend in de puntgevel met een heraldische figuur: bij pendant A een adelaar in een medaillon, bij pendant B eikenloof. De betekenis daarvan is onduidelijk.[109]

Detail van pendant D met vierpas van de deugden in emaille champlevé en gegraveerde engelen.
Detail pendant D met gegraveerde engelen en vierpas met deugden in email champlevé

Op een derde reliektafel, aangeduid als pendant C, is een tronende priester afgebeeld met een gesloten boek en een palmtak. Volgens het opschrift is dit de heilige Candidus, de opvolger van Servatius, hoewel volgens Heriger van Lobbes nooit tot bisschop gewijd. Problematisch aan deze toeschrijving is de palmtak die de heilige vasthoudt, het attribuut van een martelaar.[noot 44] De kam van deze pendant lijkt sterk op die van de Noodkist. De vierde reliektafel, pendant D, heeft een ongewone compositie en betreft wellicht een latere assemblage, waarvan delen wel twaalfde-eeuws kunnen zijn.[96] Het frontonachtige reliëf toont het portret van een heilige bisschop, dat vanouds wordt geïdentificeerd met Valentinus, bisschop van Tongeren, die zijn naamdag deelt met Candidus. De moeilijk leesbare inscriptie verwijst echter naar Gondulfus. De vijf geëmailleerde plaatjes zijn in vierpasmotief op een gegraveerde achtergrond met engelen gemonteerd. De emailplaatjes tonen engelen die enkele van de zeven deugden voorstellen: in het midden Veritas (waarheid; behoort niet tot de klassieke deugden), bovenaan Spes (hoop), daarna klokgewijs Caritas (liefdadigheid), Fides (geloof) en Iusticia (gerechtigheid). De emailplaatjes zijn bevestigd op een vlakke achtergrond van vier aan elkaar bevestigde koperplaten, elk met een gegraveerd halfportret van een engel. Kroos meent dat de koperplaten uit omstreeks 1200 dateren; volgens Ahsmann zijn ze achttiende-eeuws.[109]

De overeenkomsten met de Noodkist zijn groot, zowel qua stijl als uitvoering. Zo is er nauwelijks verschil in vormgeving tussen de bisschoppen op de pendanten en de apostelen op de Noodkist. De gegoten kam rondom drie van de vier reliekgevels is vrijwel identiek met die rondom de gevelstukken van de Noodkist. Ook de toegepaste technieken op de sierranden zijn vergelijkbaar, met name het bruinvernis.[100] Alleen pendant D wijkt af: de kam heeft een iets andere vormgeving en het bruinvernis ontbreekt. Andere stilistische overeenkomsten betreffen het gebruik van de drielobboog (korte zijden Noodkist en pendanten A en B) en de plaatsing van figuren in hoogreliëf binnen een holle nis (lange zijden Noodkist en pendanten A en B). Ahsmann merkte ook verschillen op tussen A en B, waardoor ze moeilijk van dezelfde hand kunnen zijn. B is volgens hem inferieur vergeleken met A. Mogelijk is B later gewijzigd.[109]

Stilistisch zijn de noodkistpendanten niet alleen verwant met de Noodkist, maar evenzeer met het Akense Karelsschrijn (Karlsschrein), het reliekschrijn van Karel de Grote.[111] Daarover meer in de paragraaf Kunsthistorische analyse.

Opstelling Noodkist en pendanten

[bewerken | brontekst bewerken]

Onder deskundigen bestaat geen consensus over de historische koordispositie van de Sint-Servaaskerk, de inrichting van het priesterkoor, en met name de oorspronkelijke opstelling van de Noodkist en de bijbehorende reliekhouders. Binnen deze 'richtingenstrijd' bestaan twee hoofdrichtingen, die vertegenwoordigd worden door de Duitse kunsthistorica Renate Kroos en haar Nederlandse vakgenoot Fred Ahsmann. Van Kroos verscheen in 1985, na jaren van bronnenonderzoek, het standaardwerk over het Servatiusschrijn en de Brusselse reliekhouders. Ahsmann publiceerde in 2017 een veelomvattende studie naar de koordispositie van de twaalfde-eeuwse Sint-Servaaskerk. Hun visies worden hieronder gepresenteerd.

Historische koordispositie (volgens Kroos)

[bewerken | brontekst bewerken]
Schematische tekening van de Noodkist uit 1628, gekopieerd door deken Pleugmaeckers omstreeks 1750. De Servaaszijde van het schrijn is hier naar het westen gekeerd.
Schematische tekening uit 1628 van de Noodkist, gekopieerd door Pleugmaeckers, ca. 1750. De Servaaszijde (Beatus Servatius) is naar het westen (occidens) gericht.
Het reliekenaltaar voor het schrijn en de pendanten op een tekening van Martinus van Heylerhoff uit 1811.
Schematische voorstelling van het reliekenaltaar voor het schrijn en pendanten (Van Heylerhoff, 1811)

Beide kunsthistorici zijn het erover eens dat het schrijn en de pendanten na hun voltooiing een plaats kregen op een speciaal daarvoor gebouwd reliekenaltaar op het hoogkoor van de Sint-Servaaskerk (zie tekening Van Heylerhoff). Over de historische oriëntering van het schrijn en het aantal pendanten dat het vergezelde, verschillen de meningen. Renate Kroos was ervan overtuigd dat de Christuszijde van het schrijn (door Ahsmann Majestaszijde genoemd) naar het westen was gekeerd, zodat deze altijd zichtbaar was voor de in de koorbanken gezeten kanunniken en het kerkvolk elders in de kerk.[noot 45] Volgens Kroos zou het in de middeleeuwse context ongehoord zijn geweest om het schrijn zo neer te zetten, dat de meest eervolle plaats (aan de voorzijde) toekwam aan Sint-Servaas, de dienaar, en dat Christus, de meester, naar de achterkant werd verbannen. Een tekening uit 1628 die het schrijn met de Servaaszijde naar het westen toonde, was volgens haar een latere wijziging, een corruptie van de oorspronkelijke opstelling. Kroos volgde Bock en Willemsen, Cuypers en de Maastrichtse amateurhistorici Van Heylerhoff en Van Gulpen in hun identificatie van de noodkistpendanten als zijnde portretten van bisschoppen van Tongeren-Maastricht.[noot 46] Dat de pendanten A en B, met de twee uit het graf omhoogkijkende bisschoppen, Monulfus en Gondulfus voorstellen, leed volgens haar geen twijfel: van alle Maastrichtse bisschoppen waren zij de enigen die volgens de legende uit hun graf waren opgestaan. Kroos meende dat de vier pendanten twee aan twee aan de voor- en achterkant van de Noodkist stonden opgesteld, waardoor de afgebeelde bisschoppen min of meer in chronologische volgorde waren te zien.[113]

Het geheel was geplaatst op het door Van Heylerhoff getekende reliekenaltaar en zag er vanuit de kerk gezien als volgt uit:

Voorzijde, naar het westen gericht
Tekening van pendant A.
Tekening van de Christuszijde van de Noodkist.
Tekening van pendant B.
Pendant A Noodkist
(Christuszijde)
Pendant B
Monulfus, bisschop van Maastricht, bouwer van de Sint-Servaaskerk, uit het graf omhoog ziend naar ChristusChristus als heerser van de wereld en rechtvaardige rechterGondulfus, bisschop van Maastricht, mede-grondlegger Sint-Servaaskerk, uit het graf omhoog ziend naar Christus
Achterzijde, naar het oosten gericht
Tekening van pendant D.
Tekening van de Christuszijde van de Noodkist.
Tekening van pendant C.
Pendant D Noodkist
(Servaaszijde)
Pendant C
Valentinus, bisschop van Tongeren, voorganger van Sint-ServaasSint-Servaas, bisschop van Maastricht en mederechter met ChristusCandidus, waarnemend bisschop, opvolger van Sint-Servaas

Historische koordispositie (volgens Ahsmann)

[bewerken | brontekst bewerken]
Tekening uit ca. 1665 van het retabel van Stavelot met het Remaclusschrijn en reliëfs van het leven van Remaclus.
Remaclusretabel (zilver, 311 × 278 cm) met Remaclusschrijn en reliëfs van het leven van Remaclus (tekening uit ca. 1665)
Reconstructie van het retabel voor het noodkistaltaar, naar digitale reconstructies door Fred Ahsmann, gebouwd door vmbo-leerlingen in het kader van de Heiligdomsvaart 2025.
Reconstructie retabel voor de Noodkist en pendanten A en B, gebouwd in het kader van de Heiligdomsvaart 2025 door vmbo-leerlingen naar digitale reconstructies door Fred Ahsmann

Fred Ahsmann bepleitte een andere visie op de middeleeuwse koorinrichting van de Sint-Servaaskerk, deels in navolging van de Leidse hoogleraar Aart Mekking.[noot 47] Daarmee samenhangend is de afwijkende oriëntering van de Noodkist, waarbij de Sint-Servaaszijde naar het westen (het volk) gekeerd is.[117] In Ahsmanns uitvoerige studie uit 2017 over de inrichting van het koor van de middeleeuwse Sint-Servaaskerk, is naast het schrijn slechts plaats voor twee van de vier pendanten.[noot 48] In de gedeelde visie van Mekking en Ahsmann stellen de pendanten A en B de twaalfde-eeuwse aartsbisschoppen Christiaan van Buch en Reinald van Dassel voor, beiden kanseliers van het Heilige Roomse Rijk en beiden begunstigers van de Sint-Servaaskerk. Eerstgenoemde was met zekerheid proost van Sint-Servaas; laatstgenoemde mogelijk voogd. Volgens Ahsmann waren deze machtige prelaten, beiden steunpilaren van keizer Frederik I Barbarossa, de opdrachtgevers van zowel het schrijn van Sint-Servaas als de twee pendanten met hun portret. In deze visie stonden de donorportretten links en rechts van het iets hoger gepositioneerde schrijn op het reliekenaltaar, waardoor de twee aartsbisschoppen leken op te kijken naar Sint-Servaas. De capsa, het houten omhulsel van de Noodkist, werd aan de voorzijde afgesloten door een fraai vormgegeven retabel, met daarin uitsparingen voor het schrijn en de pendanten. Wellicht dienden als voorbeeld de verdwenen altaarretabels van de afgebroken Sint-Lambertuskathedraal in Luik en de abdijkerk van Stavelot. Van het spectaculaire zilveren retabel van Stavelot, bedoeld voor het schrijn van Remaclus en tot stand gekomen onder het bewind van abt Wibald van Stavelot, zijn twee zeventiende-eeuwse tekeningen bewaard gebleven.[119]

Ahsmanns studie uit 2017 bevatte een complete reconstructie van de twaalfde-eeuwse koordispositie van de Sint-Servaaskerk, inclusief 3D-modellen van het reliekenaltaar (met retabel en capsa) en digitale reconstructies van de qua thematiek op de Noodkist aansluitende wand- en gewelfschilderingen in het hoogkoor.[120] Een door leerlingen van een plaatselijke vmbo-school nagebouwd reliekenaltaar was in 2025 tijdens de Heiligdomsvaart in de kerk te zien. Volgens Ahsmann waren het schrijn en de pendanten als volgt op het reliekenaltaar gepositioneerd:

Voorzijde, naar het westen gericht
Tekening van pendant A.
Tekening van de Servaaszijde van de Noodkist.
Tekening van pendant B.
Pendant A Noodkist
(Servaaszijde)
Pendant B
donorportret van Christiaan van Buch, aartsbisschop van Mainz, proost van de Sint-Servaaskerk, uit het graf omhoog ziend naar Sint-ServaasSint-Servaas, bisschop van Maastricht, beschermheilige der Karolingers[121]donorportret van Reinald van Dassel, aartsbisschop van Keulen, voogd van de Sint-Servaaskerk, uit het graf omhoog ziend naar Sint-Servaas
Achterzijde, naar het oosten gericht
Tekening van de Christuszijde van de Noodkist.
Noodkist
(Christuszijde)
leeg, geen pendantChristus als heerser van de wereld en rechtvaardige rechterleeg, geen pendant

Museale opstelling Brussel

[bewerken | brontekst bewerken]
De noodkistpendanten in het Museum Kunst & Geschiedenis in Brussel anno 2011.
Opstelling Noodkistpendanten in het MKG, Brussel (2011)
Het gipsafgietsel van het schrijn van Sint-Servaas in het Museum Kunst & Geschiedenis in Brussel anno 2011.
Opstelling Servatiusschrijn (gipsmodel), MKG (2011)
De kopieën van de noodkistpendanten in de Schatkamer van Sint-Servaas anno 2016.
Opstelling kopieën, Schatkamer Sint-Servaas, Maastricht (2016)

De vier originele pendanten van de Noodkist zijn onderdeel van de permanente collectiepresentatie van het Museum Kunst & Geschiedenis (MKG) in Brussel.[122] In de zaal Maaslandse kunst stonden ze anno 2011 naast elkaar opgesteld in glazen vitrines op hoge, zwarte sokkels, zodat ze op ooghoogte bekeken konden worden. De puntgevelreliekhouders worden door het museum volgens de traditionele opvatting (Kroos en anderen) geïdentificeerd als bisschoppen van Maastricht.[122] De volgorde van links naar rechts was in 2011: pendant C (Candidus), A (Monulfus), B (Gondulfus) en D (Valentinus). Informatiepanelen gaven aan dat in de oorspronkelijke opstelling het schrijn tussen de pendanten A en B stond.[noot 49] In dezelfde zaal worden nog een of twee voorwerpen geëxposeerd die afkomstig zijn uit de middeleeuwse kerkschat van de Sint-Servaaskerk: de zogenaamde reliekhoorn van Sint-Servaas en mogelijk ook een tabletvormige kruisreliekhouder.[37][124]

Het museum in Brussel bezit een gipsafgietsel van de Noodkist, dat in 2011 stond opgesteld in een vitrine bij de toegang naar de zaal waarin de collectie Maaslandse kunst wordt getoond, dus niet tussen de pendanten.

Museale opstelling Maastricht

[bewerken | brontekst bewerken]

De Noodkist en de Maastrichtse kopieën van de pendanten werden tot 2020 gepresenteerd in de Schatkamer van de Sint-Servaasbasiliek. Het schrijn stond in een beveiligde vitrine op een stalen frame centraal in het achterste deel van de benedenverdieping van de schatkamer. De oriëntering van de kist was zoals die volgens Cuypers en Kroos in de middeleeuwse kerk was geweest: de Christuszijde naar het westen (het volk), de Servaaszijde naar het oosten gericht (God). De kopieën van de Brusselse pendanten werden in vitrines aan de wand achter de Noodkist tentoongesteld, tegenover de Servaaszijde van het schrijn, zodat de vijf Maastrichtse bisschoppen (volgens de traditionele indentificatie) hier bij elkaar kwamen. De volgorde van de pendanten was iets anders dan in Brussel, van links naar rechts: D (Valentinus), A (Monulfus), B (Gondulfus) en C (Candidus).

In 2020 zijn de pendanten met de Noodkist meeverhuisd van de schatkamer naar het noordertransept van de kerk, waar een groot podium met vitrines en informatiepanelen is opgericht. Het schrijn is sedertdien, anders dan in de schatkamer, noord-zuid georiënteerd met de Servaaszijde gericht naar de viering, waar zich het hoofdaltaar bevindt. De pendanten worden getoond in vitrines die in de sokkel van de Noodkist zijn ingebouwd. De pendanten A en B worden aan de Pauluszijde van het schrijn getoond. Ze worden niet langer aangeduid als Monulfus en Gondulfus, maar volgens de opvattingen van Mekking en Ahsmann als donorportretten van Christiaan van Buch en Reinald van Dassel. De pendanten C en D bevinden zich nu aan de Petruszijde van het schrijn en worden nog steeds aangeduid als reliekhouders van Candidus en Valentinus.

Waardering, betekenis

[bewerken | brontekst bewerken]

De Noodkist in Maastricht en de bijbehorende reliekhouders in Brussel worden gezien als meesterwerken van de Maaslandse edelsmeedkunst en behoren in de Nederlanden tot de hoogtepunten van de renaissance van de twaalfde eeuw.[2][3] Het schrijn is wel "de Nachtwacht van het Zuiden" genoemd.[noot 50] Renate Kroos, die vijftien jaar aan een monografie over de Noodkist werkte, schreef in 1985 dat het schrijn in de voorbije honderd jaar in vrijwel geen publicatie over middeleeuwse edelsmeedkunst had ontbroken (hoewel het minder aandacht kreeg dan het Keulse Driekoningenschrijn en het Heribertschrijn).[59]

Kunsthistorische analyse

[bewerken | brontekst bewerken]

Kunsthistorici hebben vastgesteld dat de Noodkist en zijn pendanten verwantschappen hebben met een reeks Maaslandse reliekschrijnen en ander edelsmeedwerk. Kroos noemt als vroege voorbeelden het Victorschrijn in Xanten en het Hadelinusschrijn in Wezet (beide ouder dan 1150), gevolgd door een aantal werken van na 1150: het Heribertschrijn in Keulen-Deutz, het Domitianusschrijn en het Mengoldusschrijn, beide in Hoei, een gevelstuk van het oorspronkelijke Odaschrijn uit Amay (nu in het British Museum), het Remaclusretabel uit Stavelot (waarvan slechts fragmenten bewaard zijn), het Pinksterretabel uit Stavelot (Musée national du Moyen Âge), de staurotheek van Sainte-Croix (museum Grand Curtius) en tenslotte het Akense reliekschrijn voor de arm van Karel de Grote (in het Louvre).[126]

Vier apostelreliëfs aan de Pauluszijde van de Noodkist. De linker twee worden toegeschreven aan de Paulusmeester; de apostelen rechts aan de Petrusmeester.
Noodkist: de twee apostelen links worden toegeschreven aan de Paulusmeester; de apostelen rechts aan de Petrusmeester.
Dubbele foto. Links twee apostelfiguren op het Heribertschrijn, toegeschreven aan de Paulusmeester. Rechts twee koningen op het Karelsschrijn, toegeschreven aan de Petrusmeester.
Links: werk van de Paulusmeester (apostelen, Heribertschrijn). Rechts: werk van de Petrusmeester (koningen, Karelsschrijn).

De Duitse kunsthistoricus Hermann Schnitzler was begin jaren 1930 de eerste die uitvoerig aandacht besteedde aan de Noodkist. Hij dateerde het schrijn aanvankelijk in de periode 1160-1170, maar verschoof dat later naar 1170-1185. Van hem zijn de inmiddels algemeen aanvaarde aanduidingen 'Paulusmeester' en 'Petrusmeester' voor de twee edelsmeden die volgens hem het meest hun stempel hebben gedrukt op het schrijn. Daarbij sloeg hij het smeedwerk van eerstgenoemde hoger aan dan dat van laatstgenoemde. Met name de apostelfiguren Paulus, Bartolomeüs, Johannes en Jakobus de Meerdere zijn verfijnder uitgevoerd en hebben meer dynamiek.[noot 51] Ze staan daarmee, volgens Schnitzler, op hetzelfde niveau als het Heribertschrijn en het Pinksterretabel. De andere, aan de Petrusmeester toegeschreven apostelfiguren worden gekenmerkt door het strakke lijnenspel van parallel lopende kledingplooien, die weinig prijsgeven van de dynamiek van het lichaam. Die stijl, in de Duitse vakliteratuur aangeduid als Rillenfaltenstil ('groef-' of 'ribbelplooienstijl') is onder andere te herkennen op het later tot stand gekomen Karelsschrijn in de Dom van Aken.[noot 52] De vraag hoe het kan dat de dynamischer ogende stijl van de Paulusmeester voorafging aan de primitiever ogende ribbelplooienstijl van de Petrusmeester, heeft meerdere kunsthistorici beziggehouden, maar bleef onopgelost.[129]

Lasko, Timmers en Kötzsche

[bewerken | brontekst bewerken]
Dubbele afbeelding: verschillen en overeenkomsten tussen de Noodkist (links) en het Domitianusschrijn (rechts).
De Noodkist (links) en het Domitianusschrijn (rechts). Vergelijk de Christusfiguren op de korte zijden, de apostelen/heiligen op de lange zijden en de medaillons op het dak. Let ook op het achtlobbige bloemmotief.
Dubbele afbeelding: verschillen en overeenkomsten tussen de Noodkist (links) en het Mengolduschrijn (rechts).
De Noodkist (links) en het Mengoldusschrijn (rechts). Vergelijking van de sierkammen. Ondanks de overeenkomsten waardeert Kroos de kam van het rechterschrijn hoger.

In de jaren 1960 en 1970 voegden drie prominente kunsthistorici zich bij de discussie, de Duits-Britse Peter Lasko, de Nederlandse Joseph Timmers en de Duitse Dietrich Kötzsche. Lasko merkte op dat het werk van de Paulus- en Petrusmeester overlappingen vertoonde. Hij stelde vast dat de overgang naar de Rillenfaltenstil, die zich na 1170 in grote delen van Europa voordeed, nog te weinig bestudeerd was om daar zwaarwegende conclusies uit te trekken.[130] Timmers accepteerde de door Schnitzler geïntroduceerde twee meesters, die hij A en B noemde, maar onderscheidde daarnaast een derde meester, door hem A1 genoemd vanwege de verwantschap met A. Deze zou vooral gewerkt hebben aan de Servaaszijde en de dakreliëfs. Andere werkstukken van zijn hand zijn volgens Timmers het armreliekschrijn van Karel de Grote in Parijs en de reliekschrijnen in Hoei. Als frappant voorbeeld noemde hij het achtlobbige bloemmotief, ingebed in bruinvernis, dat de boogzwikken aan de lange zijden van de Noodkist versiert en terug te vinden is op de gevelstukken van de twee schrijnen in Hoei.[131] Kötzsche ten slotte beschreef de Noodkist en andere schrijnen in de tentoonstellingscatalogus van Rijn en Maas (1972).[132] Ook hij wees op overeenkomsten met het Hadelinusschrijn, het Luikse kruistriptiek en de beide Hoeise schrijnen, alle toegeschreven aan Godfried van Hoei, de laatste twee met vrij grote zekerheid. Kötzsche zag in de Paulusmeester duidelijk een navolger van Godfried van Hoei. Voor wat betreft de Petrusmeester en de overeenkomsten met het Karelsschrijn, verwees hij naar Schnitzler. Bij de Brusselse pendanten A en B deed de vormgeving hem denken aan het kruistriptiek van Sainte-Croix, waarop de verrezenen eveneens zijn afgebeeld in een ronde nis aan de voeten van engelen.[133]

Dit was globaal de stand van zaken, toen Renate Kroos in de jaren 1970 en begin jaren 80 werkte aan haar onderzoek naar de Noodkist en zijn pendanten in opdracht van het Zentralinstitut für Kunstgeschichte in München. Kroos zette vraagtekens bij de door diverse auteurs beschreven Rillenfaltenstil. Ze vroeg zich af in hoeverre de verschillen in vormgeving van kledingplooien bepaald werden door de stof van de kledingstukken.[noot 53] Over de door sommige auteurs gemaakte vergelijkingen met het Luikse kruistriptiek, de Parijse armreliekhouder en het Pinksterretabel, merkte ze op dat deze voorwerpen, net als het Maastrichtse schrijn, ingrijpende restauraties hebben ondergaan en het om die reden lastig is om conclusies te trekken uit stijlvergelijkingen. Zelf observeerde ze dat de Noodkist met zijn symmetrische dubbele rondboogarcaden en de daarop afgestemde dakmedaillons een doordachte architectonische opbouw heeft, hetgeen niet van alle Maaslandse schrijnen gezegd kan worden. Van de verschillende technieken die bij het schrijn en de pendanten zijn toegepast, is de kwaliteit van het bruinvernis volgens haar superieur. De gegoten sierkam rondom de Servaasgevel, afwisselend met rechtopstaande en omgebogen palmetbladeren, komt terug op de Hoeise schrijnen, maar is daar net iets gedetailleerder vormgegeven en benadert daarmee beter de klassieke voorbeelden. Voor een beoordeling van het emailleerwerk achtte ze zichzelf niet kundig genoeg.[134]

Na Kroos was Fred Ahsmann feitelijk de enige die zich intensief heeft beziggehouden met het Maastrichtse schrijn en de Brusselse pendanten.[noot 54] Ahsmann plaatste het schrijn en twee van de pendanten in de context van de twaalfde-eeuwse koordispositie, in samenhang met de door hem gereconstrueerde wand- en gewelfschilderingen. Zijn visie op de pendanten A en B als donorportretten gaf deze kunstvoorwerpen een geheel nieuwe betekenis. De pendanten C en D zag hij als restanten van oudere liturgische voorwerpen, die pas in de zeventiende eeuw met het Servatiusschrijn in verband gebracht werden. Ook zag hij minder onderlinge overeenkomsten tussen de vier pendanten dan zijn vakgenoten. In zijn materiële beschrijving week hij nauwelijks af van de gangbare analyses door Kroos en anderen. Met zijn vroege datering (ca. 1167) volgde hij Kroos niet.[137]

Kopieën, navolging

[bewerken | brontekst bewerken]
Hoofdaltaar van de Sint-Servaasbasiliek.
Detail van het retabel van het hoofdaltaar, geïnspireerd door noodkistpendant B.
Hoofdaltaar van de Sint-Servaasbasiliek. Rechts een detail van het altaarretabel, geïnspireerd door noodkistpendant B.

De betekenis van de Noodkist en de Brusselse pendanten wordt onderstreept door het feit dat eind negentiende eeuw meerdere kopieën zijn vervaardigd in opdracht van de Sint-Servaaskerk en enkele gerenommeerde musea. Genoemd zijn de verguld koperen kopieën van de Brusselse pendanten in de schatkamer van de Sint-Servaasbasiliek, vervaardigd in 1888 door de Luikse firma Wilmotte. De schatkamer bezit daarnaast een neoromaans reliekschrijn waarin niet-vergulde koperen kopieën van de noodkistpendanten zijn verwerkt.[noot 55] Dit schrijn kwam uiterlijk in 1881 tot stand, nog voor de losse kopieën dus, vermoedelijk ook bij Wilmotte in Luik.[138] In de schatkamer bevinden (of bevonden) zich enkele koperen reliekhouders voor antieke stoffen, waarvan de vormgeving geïnspireerd is door de noodkistpendanten. Hetzelfde kan gezegd worden van het door Cuypers en Essenwein ontworpen neoromaanse hoofdaltaar met altaarciborie, waarvan het altaar in 1882 door de Akense edelsmid August Witte werd opgeleverd, en het ciborie in 1891 door zijn zoon Bernhard Witte.[139]

Zowel van het schrijn als van de pendanten zijn door het Roermondse Atelier Cuypers-Stoltzenberg gipsafgietsels gemaakt. Minimaal een van de gipsen pendanten bevindt zich nog in de collectie van het Cuypershuis in Roermond, het voormalige woonhuis en atelier van de architect.[140] Het Rijksmuseum in Amsterdam bezat een uitgebreide gipscollectie, waarvan het Maastrichtse Bergportaal en de Noodkist deel uitmaakten. De gipsafdeling van het museum werd in de jaren 1950 gesloten. Het Museum Kunst & Geschiedenis in Brussel bezit, behalve de originele noodkistpendanten, sinds 1879 een gipsafgietsel van de Noodkist (KMKG inv.nr. 1057.00), alsmede afgietsels van de pendanten A en C. Die laatste zijn vervaardigd in de eigen KMKG afgietselwerkplaats, waar ook de oorspronkelijke mallen worden bewaard, waardoor afgietsels kunnen worden bijgemaakt.[141] Het polychroom beschilderde gipsafgietsel van de Noodkist is op zaal te bewonderen in de afdeling Romaanse en Maaslandse kunst. Zie ook: Museale opstelling Brussel.

Religieuze betekenis

[bewerken | brontekst bewerken]
De Noodkist in de ommegang tijdens de Heiligdomsvaart van 2011.
De Noodkist in de ommegang tijdens de Heiligdomsvaart (2011)
Het schrijn op de koortrappen tijdens de Heiligdomsvaart van 2018
Het schrijn op de koortrappen tijdens de Heiligdomsvaart (2018)

De religieuze betekenis van de Noodkist is in het verleden groter geweest dan nu, maar is ook in de eenentwintigste eeuw nog levend. De eeuwenoude traditie om het schrijn in tijden van nood door de stad te dragen, bestaat nog steeds. De laatste keer dat de kist op deze wijze zijn naam eer aandeed, was tijdens een bidweg voor de vrede in 1991 aan het begin van de Golfoorlog. Tijdens de wereldwijde coronapandemie ontstond er behoefte om bij de Noodkist te bidden. Bisschop Harrie Smeets ging daar op 15 maart 2020 in voor, maar het feit dat dit in de museale omgeving van de schatkamer plaatsvond, stuitte op onvrede. Omdat vanwege de toen geldende anderhalvemetermaatregel ook geen toestemming werd verkregen om het schrijn door de stad te dragen, werd in mei van dat jaar besloten de kist permanent in het noordertransept van de kerk uit te stallen. Om praktische redenen – vanwege de toegankelijkheid voor mensen met een fysieke beperking – werd gekozen voor het transept en niet voor het hoogkoor, waar de kist in het verleden stond.[57][142]

De Noodkist is geen onderdeel van de vier 'stadsdevoties' van Maastricht. Dit zijn devotionele beelden of voorwerpen, die in Maastricht bijzondere verering genieten: de Sterre der Zee, de Zwarte Christus van Wyck, het borstbeeld van Sint-Servaas en dat van Sint-Lambertus. Bij de jaarlijkse Sint-Servaasprocessie of Grote Processie op of rondom de feestdag van Sint-Servaas (13 mei) gaan de stadsdevoties mee; de Noodkist niet. Bij de ommegangen tijdens de zevenjaarlijkse Heiligdomsvaart van Maastricht wordt de kist wel meegedragen, voor het laatst in 2025. Tot 2025 stond hij bovendien tijdens de gehele heiligdomsvaartperiode ter verering opgesteld op de koortrappen van de basiliek. In de editie van 2025 werd van dat gebruik afgezien en bleef de kist op zijn nieuwe vaste plaats in het noordertransept. Het schrijn wordt bij deze gelegenheden bewaakt door leden van de Broederschap van Sint Servaas.

De in 1916 opgerichte Broederschap van Sint Servaas telt circa vijftig leden. De broederschap stelt zich ten doel de devotie tot Sint-Servaas te bevorderen. De broedermeesters zorgen ervoor dat voorafgaand aan de processies en ommegangen het schrijn stevig wordt bevestigd op de speciaal daartoe ontworpen processiebaar. De baar heeft een stalen skelet met beweegbare delen die op de schouders van de dragers rusten. Naar wens kunnen acht of zestien dragers plaatsnemen, allen leden van de broederschap. Een doorzichtig omhulsel van perspex zorgt voor bescherming tegen weersinvloeden. Terwijl de broeders buiten de kerk meestal gekleed gaan in jacquet (met broederschapsmedaille en rood-wit festoen), dragen ze bij liturgische vieringen een rood-zwart of rood-geel tuniek.[143]

  • Tijdens een noodprocessie met de Noodkist op 6 januari 1677, toen Maastricht bezet was door Franse troepen, werden twee gevangenen uit het Dinghuis bevrijd, die daar wegens doodslag waren opgesloten.[1]
  • Op 12 maart 1917 hield hoofdaalmoezenier Henri Poels in de Maastrichtse Staarzaal zijn bekend geworden 'Noodkistrede', zo genoemd omdat hij zich beriep op het heilig gebeente van Sint-Servaas. Poels sprak schande van het feit dat er in de industriestad Maastricht bijna tweeduizend eenkamerwoningen waren ("1987 schamele hokjes", zoals hij keer op keer benadrukte), waarin fabrieksarbeiders met hun gezinnen onder erbarmelijke omstandigheden moesten wonen. Het effect van de Noodkistrede was groot. Een jaar later verkocht De Sphinx de Cité Ouvrière, hét symbool van de slechte woonomstandigheden, waarna het gebouw door de gemeente geleidelijk werd ontruimd. De gemeente, die het bouwen van sociale woningen lange tijd als een taak van particulieren zag, ging nu over tot het bouwen op grote schaal van "gemeentewoningen".[144][145]
  • In de vieringcrypte van de Sint-Servaasbasiliek stond omstreeks 2000 een door kinderen beschilderde miniatuurnoodkist. Bezoekers konden een briefje met wensen deponeren in deze kleurrijke 'kindernoodkist'.[146]
  • In de roman Apostel van Tricht van Paul Sterk uit 2011 zijn de hoofdpersonen gedwongen in een post-apocalyptisch Maastricht te overleven en komt de redding uiteindelijk vanuit de Noodkist.[147]
[bewerken | brontekst bewerken]

Bronvermelding, noten

[bewerken | brontekst bewerken]
BERJAYA
Zie de categorie Reliquary chest of Saint Servatius van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.
Etalagester
Dit artikel is op 31 maart 2026 in deze versie opgenomen in de etalage.