close
Naar inhoud springen

Mengoldusschrijn

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Mengoldusschrijn
Het schrijn in 1998
Het schrijn in 1998
Kunstenaar Godfried van Hoei (toeschrijving)
Jaar 2e helft 12e eeuw
Ontstaanslocatie Hoei?, prinsbisdom Luik
Huidige locatie Onze-Lieve-Vrouwkerk, Hoei
Stroming romaans, Maaslands
Materiaal eikenhouten kist bekleed met verguld koper en zilver
Lengte 134 cm
Breedte 39 cm
Hoogte 62 cm
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur
Christendom

Het Mengoldusschrijn (Frans: châsse de saint Mengold) is het middeleeuwse reliekschrijn van de heilige Mengold van Hoei, dat bewaard wordt in de Onze-Lieve-Vrouwkerk in de Belgische stad Hoei (Huy). Het met zilver beklede en rijk versierde schrijn dateert grotendeels uit de tweede helft van de twaalfde eeuw en wordt met vrij grote zekerheid aan Godfried van Hoei toegeschreven. Het schrijn verkeert in slechte toestand maar behoort desalniettemin, samen met het vergelijkbare Domitianusschrijn in dezelfde kerk, tot de topstukken van de Maaslandse edelsmeedkunst.

Relieken van Mengold

[bewerken | brontekst bewerken]

Volgens de traditie werd de edelman Mengold van Hoei in 590 vermoord in de plaats Hoei, ten zuidwesten van Luik. Daar zou hij ook begraven zijn.

De Vita Mengoldi, die pas uit de twaalfde eeuw dateert, was vermoedelijk bedoeld om de cultus van de heilige ridder en martelaar Mengoldus te stimuleren. Volgens de Belgische kunsthistoricus Philippe George speelde de Luikse bisschop Rudolf van Zähringen daarin een grote rol. Mogelijk was hij ook de opdrachtgever van de twee rijk versierde reliekschrijnen voor de patroonheiligen van Hoei, Domitianus en Mengoldus, die waarschijnlijk tijdens zijn episcopaat (1167-1191) tot stand kwamen. De translatie van de relieken, de overplaatsing in de nieuwe schrijnen, had in elk geval plaats tussen 1172 en 1189.[1]

Godfried van Hoei

[bewerken | brontekst bewerken]

Over de vermoedelijke maker van de twee Hoeise schrijnen, Godfried van Hoei, is weinig met zekerheid bekend. Of hij gerelateerd is aan Reinier van Hoei evenmin. Tussen 1144 en 1147 zou hij bij abt Suger in de abdij van Saint-Denis hebben gewerkt. Mogelijk is hij dezelfde als de aurifex G. (goudsmid G.), die in 1148 in dienst was van Wibald van Stavelot, de ondernemende abt van Stavelot, bekend als initiator van kunstprojecten. Mogelijk was hij de leermeester van Nicolaas van Verdun, zoals enkele kunsthistorici hebben gesuggereerd. In 1174 werd hij augustijner koorheer in de abdij Neufmoustier bij Hoei. Een necrologie van dit klooster, thans in het museum Grand Curtius in Luik, vermeldt de goudsmid Godefridus als medebroeder, echter zonder sterfjaar: "commemoratio Godefridi aurificis fratris nostri". De necrologie maakt tevens melding van het feit dat hij twee schrijnen, een wierookvat en een kelk vervaardigde voor de kerk van Hoei: "nam in ecclesia Hoyensi duo composuit feretra, turibulum et calicem, argenteos".[2][3]

Dat hij de schepper is van de twee reliekschrijnen in Hoei, staat min of meer vast. Voor de andere werkstukken die aan hem worden toegeschreven geldt dat veel minder. Het betreft onder andere het Hadelinusschrijn in Wezet, de Noodkist van Sint-Servaas in Maastricht, het Heribertschrijn in Keulen-Deutz, een gevelstuk van het Odaschrijn uit Amay in het British Museum, de reliekbuste van paus Alexander in het Museum Kunst & Geschiedenis in Brussel, de fragmenten van een processiekruis in het Museum Schnütgen in Keulen en het kruistriptiek van Stavelot in de kunstverzameling John Pierpont Morgan in New York.[4]

Verering van de relieken

[bewerken | brontekst bewerken]
BERJAYA
Reliekschrijnen in de schatkamer van Hoei (2020). Rechts het Mengoldusschrijn

Volgens een oude inventaris van de kerkschat van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Hoei, opgesteld door kanunnik Jean d'Aps in 1274, stonden de reliekschrijnen van Domitianus en Mengoldus op het altaar in het koor van de kapittelkerk. In tijden van nood werden 'noodprocessies' gehouden met de schrijnen, processies waarvan men hoopte dat ze oorlogsdreiging, belegeringen, misoogsten, epidemieën en ander onheil konden afwenden. Tot in de twintigste eeuw vonden noodprocessies plaats.[5]

Tijdens de Hollandse Oorlog (1672-1679) werden de schrijnen van Maria, Mengold en Domitianus voor de veiligheid naar Luik overgebracht. In 1680 werden ze in processie teruggehaald, begeleid door fakkels en klokkengelui.[6]

De vrijwel identieke schrijnen van Domitianus en Mengoldus staan tegenwoordig opgesteld in de schatkamer van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Hoei, samen met het dertiende-eeuwse Mariaschrijn en het kleinere Markusschrijn, en tal van andere reliekhouders en liturgische voorwerpen.

BERJAYA
Restauratoren Gilberte Dewanckel en Anne Van Lierde (1998)

Tijdens de middeleeuwen en het ancien régime zijn de schrijnen van Domitianus en Mengoldus door ondeskundige restauraties getransformeerd, waarbij decoratieve elementen en soms zelfs beeldjes zijn verwisseld. Het iconografisch programma werd daardoor verstoord en inscripties werden onbegrijpelijk.[7]

In 1560 werd het schrijn gerestaureerd door de goudsmeden Henri en Jaspar uit Namen, waarbij de oorspronkelijke houten kist volledig werd vervangen. Mogelijk werd het schrijn toen ingekort en werden de nog gave reliëfs verdeeld over het verkleinde schrijn.

Omstreeks 2000 werd het schrijn opnieuw gerestaureerd, waarbij het schrijn werd gedemonteerd, schoongemaakt en geconsolideerd. De restauratie werd uitgevoerd door Gilberte Dewanckel en Anne Van Lierde van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK-IRPA). Bij die gelegenheid werden de relieken aan een wetenschappelijk onderzoek onderworpen. Zie: Inhoud schrijn.

Sinds 12 februari 2010 staat het schrijn op de lijst van roerend cultureel erfgoed van de Franse gemeenschap in België (Liste des biens classés de la Communauté française).[8]

Beschrijving, iconografie

[bewerken | brontekst bewerken]

Kunsthistorische beschrijving

[bewerken | brontekst bewerken]

Het Mengoldusschrijn bestaat uit een eikenhouten kern die bekleed is met verguld koperen en zilveren platen. Deze zijn bewerkt door middel van drijfwerk en pointilleerwerk, en daarna versierd met filigraan, gietwerk, emailles, bruinvernis, edelstenen en cabochons. De vorm van het schrijn doet denken aan een langwerpig bouwwerk met een zadeldak, een huis of een eenbeukige kerk, verwijzend naar het hemelhuis. Deze vorm is typerend voor die periode. De kist is circa 134 cm lang, 39 cm breed en 62 cm hoog.[noot 1]

De slechte staat waarin het schrijn verkeert bemoeilijkt een kunsthistorische analyse. Dietrich Kötzsche merkte in 1973 al op dat een nauwkeurige inventarisatie van alle latere toevoegingen gewenst is. Renate Kroos stelde in 1985 vast dat het schrijn niet alleen onderdelen uit de vijftiende en de zeventiende eeuw bevat, maar ook dat veel 'authentieke' onderdelen later hersteld of aangevuld zijn.[10] Volgens Philippe George, langjarig directeur van de schatkamer in Hoei, vond er tussen de schrijnen van Domitianus en Mengoldus een zekere uitwisseling plaats: decoratieve elementen en beeldjes werden van het ene naar het andere schrijn verplaatst. Daardoor is het vrijwel onmogelijk om hun oorspronkelijke staat te reconstrueren. De schrijnen hebben ongeveer dezelfde afmetingen, zijn min of meer gelijktijdig tot stand gekomen, zijn allebei ooit ingekort en hebben altijd dicht bij elkaar gestaan. In zijn algemeenheid vermoedt George dat bij beide schrijnen de koperen delen het oudst zijn en de zilveren later zijn toegevoegd.[11]

Korte zijden: Maria en Mengoldus

[bewerken | brontekst bewerken]
Korte zijden van het schrijn
BERJAYA
BERJAYA

De twee puntgevels aan de korte zijden van het schrijn worden gekenmerkt door de in drijfwerk uitgevoerde hoogreliëfs van Maria en Mengoldus. Ze zijn geplaatst in segmentbogige nissen die worden bekroond door versierde timpanen. De onversierde nissen zijn afgezet met biesen of een parelrand en worden omgeven door een dubbele sierrand van gepointilleerd zilver en verguld koper met bladmotieven en ranken. Daaromheen bevindt zich een gegoten(?) sierkam van verguld koper of brons.[11] De Nederlandse kunsthistoricus Joseph Timmers zag grote overeenkomsten tussen de puntgevelkammen van de beide Hoeise schrijnen en die van de Noodkist in Maastricht.[12]

De Mariagevel wordt algemeen gezien als de voorkant van het schrijn. Maria is afgebeeld zittend op een troon met het kind Jezus op haar schoot. Het kind lijkt zijn handen uit te strekken naar iets dat Maria vasthoudt, maar dat is verdwenen. Mogelijk droeg Maria een kroon, maar dat deel is sterk beschadigd. Het timpaan boven het hoofd van Maria is versierd met bruinvernis met in het midden een achtlobbig bloemmotief, een motief dat ook op het Maastrichtse schrijn voorkomt.[12]

Op de andere korte zijde is de tronende Mengoldus afgebeeld als ridder, gekleed in rok en maliënkolder. In zijn rechterhand houdt hij een schild. Zijn rechterarm is gebogen, alsof hij oorspronkelijk een lans of staf vasthield. Zowel het maliënkolder als het schild zijn versierd met heraldische tekens: het maliënkolder met drie boven elkaar geplaatste gaande leeuwen, het schild met een dubbelkoppige adelaar. Opvallend is dat een aureool ontbreekt. Het timpaam boven het hoofd van Mengoldus is versierd met champlevé-email en een cabochon van bergkristal. Het email zet zich voort als sierrand aan weerszijden van de nis. De buitenste sierrand bestaat, anders dan de Mariagevel, afwisselend uit stroken bruinvernis en verguld koper.[11]

Lange zijden: heiligen en engelen

[bewerken | brontekst bewerken]
Lange zijden van het schrijn
BERJAYA
Rechterzijde: Johannes-de-Doperzijde
BERJAYA
Mauritiuszijde: dakreliëfs met engelen

De lange zijden worden aangeduid naar de figuur die als eerste in de rij is afgebeeld. Gezien vanaf de Mariagevel bevindt zich rechts de Johannes-de-Doperzijde (Johanneszijde), links de Mauritiuszijde. De heiligenfiguren zijn uitgevoerd als hoogreliëfs in gedreven zilver. De omlijstingen, pilasters en in sommige gevallen de aureolen van de heiligen zijn uitgevoerd in bruinvernis.[11]

Aan elke zijde zijn vijf heiligen afgebeeld. Daarvan zijn er vier paarsgewijs gegroepeerd; de vijfde is solitair afgebeeld, een gevolg van het inkorten van het schrijn in het verleden. Hierdoor is ongeveer een zesde van de oorspronkelijke lengte verloren gegaan, waardoor het iconografisch programma verstoord is. Oorspronkelijk waren er aan beide zijden drie compartimenten, elk met twee figuren, telkens gescheiden door een zuiltje. Eén figuur is een ongeïdentificeerde heilige. De volgorde is, van links naar rechts, te beginnen aan de Johanneszijde: Johannes de Doper (solitair), Mercurius en Sebastiaan, en Albanus en Candidus. Aan de Mauritiuszijde: Mauritius en Innocentius(?), Cassius met een onbekende heilige (Florentius?), en ten slotte Exuperius (solitair). Het is niet helemaal duidelijk waarop de volgorde en de paarsgewijze groepering is gebaseerd. Diverse heiligen behoren tot de zogenaamde 'soldatenheiligen', meestal leden van het Thebaanse Legioen. Mogelijk heeft ook de plaats op de heiligenkalender invloed gehad, waarbij heiligen wier naamdagen dicht bij elkaar liggen, aan elkaar gekoppeld zijn.

De dakpanelen zijn van gedreven zilver, versierd met ranken en gebladerte. De vrij slordig afgewerkte en zeer beschadigde sierkam over de nok vertoont afwisselend kruisvormige bladmotieven en driehoekjes met ingegraveerde bladeren. Daarboven steken drie ornamenten uit, het middelste bolvormig, de buitenste in de vorm van een pijnappel. Op de dakvlakken zijn aan beide zijden vier grote medaillons aangebracht met afbeeldingen van engelen die tekstborden vasthouden. Van de acht engelenreliëfs zijn er zes in hoogreliëf uitgevoerd. De buitenste medaillons aan de Johanneszijde zijn in laagreliëf. Drie tekstborden aan de Johanneszijde zijn blanco; aan de Mauritiuszijde ontbreekt een bord helemaal. De moeilijk leesbare inscripties zijn teksten van de zaligsprekingen (Matteüs 5:3-10 en Lucas 6:20-23).[noot 2]

Inhoud schrijn

[bewerken | brontekst bewerken]
BERJAYA
Verzegelde reliekenkist (2005)
BERJAYA
Relieken uit het Mengoldusschrijn (2005)

Het Mengoldusschrijn bevat volgens de traditie de relieken van de heilige Mengoldus van Hoei, een martelaar uit de negende eeuw. Deze bevinden zich in een verzegelde houten kist, die in het schrijn is geplaatst. Het schrijn is in de loop der eeuwen diverse malen geopend, waarbij de inhoud werd gecontroleerd. Dat gebeurde onder andere in 1873, 1912, 1958, 1981 en 2005. In 1873 werd de arts Toussaint Beco gevraagd de beenderen anatomisch te identificeren, aan de hand waarvan een lijst werd samengesteld. In 1912 werd een hielbeen uit het schrijn verwijderd, dat vervolgens in een kleinere, doorzichtige reliekhouder werd geplaatst met als doel om de verering van de heilige te bevorderen. Het schrijn werd daarna opnieuw verzegeld.[14]

Bij de opening van de schrijnen van Domitianus en Mengoldus in 1981 waren, behalve de gebruikelijke kerkelijke autoriteiten, enkele historici en kunsthistorici aanwezig. Alle beenderen waren geheel of gedeeltelijk gewikkeld in zijde of katoen. Diverse beenderen werden tijdelijk uit het schrijn verwijderd voor wetenschappelijk onderzoek. Daaruit kon worden afgeleid dat de beenderen uit het schrijn van Mengoldus toebehoorden aan een persoon die een lengte had van circa 172 cm, vrij zwaar gebouwd, redelijk gespierd, met een bol voorhoofd, een brede kin en krachtige kaak, waarschijnlijk rechtshandig en gewend met zijn handen te werken. Hij was vermoedelijk op vijftig- of zestigjarige leeftijd overleden. Er konden geen aanwijzingen voor een gewelddadige dood worden vastgesteld.[15]

Een tweede wetenschappelijke analyse van het gebeente uit beide schrijnen vond plaats omstreeks 2005. Het gebeente van Domitianus kon gedateerd worden in de vijfde, of eerste helft zesde eeuw, hetgeen overeenstemt met de historisch bekende feiten over deze bisschop. Van de beenderen van Mengold zou men verwachten dat ze in de negende eeuw gedateerd konden worden. Dat bleek niet het geval. Ze dateren uit de periode 550 tot 650 en zijn daarmee minstens twee eeuwen ouder dan Mengoldus.[16]

Bronnen, noten, verwijzingen

[bewerken | brontekst bewerken]
BERJAYA
Zie de categorie Reliquary chest of Saint-Mengold, Huy van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.