close
Naar inhoud springen

Karelsschrijn

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Karelsschrijn
Het schrijn op het koor van de Dom van Aken
Het schrijn op het koor van de Dom van Aken
Jaar ca. 1182-1215
Ontstaanslocatie Aken
Huidige locatie Dom van Aken
Stroming romaans, Maaslandse kunst
Materiaal eikenhouten kist bekleed met verguld koper en zilver, email, bruinvernis, edelstenen
Lengte 204 cm
Breedte 57 cm
Hoogte 94 cm
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur
Christendom

Het Karelsschrijn (Duits: Karlsschrein) is een twaalfde-eeuws reliekschrijn waarin de stoffelijke resten worden bewaard van Karel de Grote, de Frankische koning die in 1165 heilig werd verklaard. Het schrijn werd kort na 1182 vervaardigd en was in 1215 voltooid, waarna de relieken van Karel er plechtig in werden overgebracht. Het Karelsschrijn geldt als een hoogtepunt van Maaslandse edelsmeedkunst in de middeleeuwen.

Graf van Karel de Grote

[bewerken | brontekst bewerken]
BERJAYA
Proserpina-sarcofaag in de schatkamer van de Dom van Aken

Karel de Grote (747/748-814) was vanaf het jaar 800 de eerste keizer van het Heilige Roomse Rijk en werd nog tijdens zijn leven gezien als een groot vorst. Na zijn dood op 28 januari 814 werd zijn lichaam bijgezet in de paltskapel van de Akense koningspalts. Mogelijk werd daarbij als doodskist een gebeeldhouwde marmeren sarcofaag uit de laat-Romeinse periode gebruikt, de nog bestaande Proserpina-sarcofaag. De precieze plaats van het oorspronkelijke graf is onbekend. Lange tijd gold het toenmalige atrium (het westelijk deel van de huidige dom) als meest waarschijnlijke plaats, maar opgravingen hebben dat vermoeden niet kunnen bevestigen.[noot 1] Volgens Einhard richtte men boven het graf een vergulde arcadeboog op, met een standbeeld van de overledene en een inscriptie. Dit monument werd mogelijk kort voor de Vikingenaanval van 882 verwijderd, zodat Karels graf niet geplunderd kon worden.

De eerste keer, voor zover bekend, dat het graf werd geopend, was in mei 1000, door keizer Otto III, samen met graaf Otho van Lomello. Volgens sommige bronnen werd Karels lijk in zittende houding en in vrijwel ongeschonden staat in de grafkamer aangetroffen.[noot 2] Volgens de kroniek van Thietmar von Merseburg (975-1018) ontnamen zij de dode een gouden kruis dat om zijn hals hing. De geloofwaardigheid van dit relaas is gering, aangezien een bijzetting van Karel gezeten op een troon in 814 zeer ongebruikelijk zou zijn geweest en ook niet door archeologische bevindingen wordt ondersteund.[noot 3]

Bij Karels heiligverklaring in 1165 en de daarmee verbonden elevatio (verheffing van het gebeente tot de "eer der altaren") moest men zijn graf opnieuw zoeken. Keizer Frederik I Barbarossa had daarbij naar verluidt een goddelijke ingeving, waardoor hij het om veiligheidsredenen onherkenbaar gemaakte graf terug kon vinden.[noot 4] Bij die gelegenheid werd de talisman van Karel de Grote gevonden en uit het graf verwijderd.[7] Sommige historici vermoeden dat het gebeente van Karel toen pas — of bij de eerste grafopening in 1000 — in de Proserpina-sarcofaag werd geplaatst.[8] De heiligverklaring van Karel vond plaats op 29 december 1165 door de aartsbisschop van Keulen, Reinald van Dassel, in aanwezigheid van de keizer en zijn vrouw Beatrix I van Bourgondië, en met de goedkeuring van tegenpaus Paschalis III. De datum 29 december werd bewust gekozen: het is de feestdag van David, de door God gezalfde koning van Israël en voorvader van Christus.[9]

Totstandkoming van het schrijn

[bewerken | brontekst bewerken]

Aan het Karelsschrijn is vermoedelijk dertig jaar gewerkt (ca. 1185-1215). Min of meer vast staat dat de eik, waaruit de planken werden gezaagd voor de houten kern van het schrijn, omstreeks 1182 of iets later is geveld.[10] Over de totstandkoming is verder weinig met zekerheid bekend. Frederik II, een kleinzoon van Frederik I Barbarossa, zag persoonlijk toe op de overbrenging van de stoffelijke resten van Karel en de sluiting van het schrijn op 27 juli 1215. Dat was tevens de eerste verjaardag van de Slag bij Bouvines, een veldslag die de Duitse opvolgingsstrijd had beslecht. Twee dagen eerder was Frederik in Aken tot Rooms-Duits koning gekroond. De monnik Reinerus van de Sint-Jacobsabdij in Luik deed verslag van deze translatio: "Op maandag, na een plechtige mis, liet dezelfde koning [Frederik II] het lichaam van de heilige Karel, dat zijn grootvader keizer Frederik had opgegraven, in een buitengewoon mooie kist van goud en zilver leggen, vervaardigd door de ambachtslieden van Aken. Hij nam een hamer, deed zijn mantel af, beklom het podium met de meester-ambachtsman uit Aken en sloeg, voor ieders ogen, samen met de meester de spijkers stevig in de kist." Naast de relieken van Karel werden enkele kostbare stoffen in het schrijn geplaatst: het zogenaamde "Olifantenkleed", een satijnen doek met motieven van de Levensboom en olifanten, en het zogenaamde "Hazenkleed", een zijden doek met motieven van de Levensboom, hazen en vogels. Het eerste diende naar verluidt als lijkwade van Karel de Grote. Het tweede werd er door Frederik II in geplaatst voordat het schrijn werd verzegeld.

Het schrijn kreeg een plaats in de omgang van het octagoon, het door Karel de Grote gebouwde deel van de Akense dom. Daar zou het twee eeuwen blijven staan, tussen het Petrusaltaar in de omgang en het Maria-altaar in het kleine Karolingische koor aan de oostzijde van het octagoon.[noot 5] In 1414 verhuisde het schrijn naar het pas voltooide gotische koor van de dom, waar het nog steeds staat.[9][12]

BERJAYA
Het Karelsschrijn in het koor van de dom. Op de achtergrond het oktagon van de oorspronkelijke paltskapel van Karel de Grote

Restauratie (1983-1988)

[bewerken | brontekst bewerken]

Op 30 januari 1983 werd de verzegelde zinken kist met de relieken van Karel de Grote uit het schrijn verwijderd. De zinken kist werd na inspectie opnieuw verzegeld en in een tijdelijke houten kist geplaatst. Het schrijn van Karel de Grote werd overgebracht naar een edelsmidwerkplaats op het terrein van de dom. De goudsmeden Gerhard Thewis en Peter Bolg, onder academische begeleiding van kunsthistorica en conservator Herta Lepie, werkten vijf jaar lang aan de restauratie van het kunstvoorwerp. Het streven was om het schrijn niet onherstelbaar te veranderen en de originaliteit ervan niet aan te tasten. De middeleeuwse vergulding werd blootgelegd. Datering van het eikenhout dat voor de houten kist was gebruikt, wees uit dat het rond 1182 was gekapt.

800 jaar Karelsschrijn

[bewerken | brontekst bewerken]

Van 23 tot 27 juli 2015 werd de achthonderdste verjaardag van het gereedkomen van het Karelsschrijn gevierd. Bij die gelegenheid was het schrijn enkele dagen te zien op zijn oorspronkelijke plaats in het octagoon van de dom. Daardoor konden bezoekers het schrijn van nabij bekijken, wat normaal op het afgesloten deel van het priesterkoor niet mogelijk is.[12][13] Op de laatste dag van de festiviteiten leidde domproost Manfred von Holtum enkele hoge gasten rond, waaronder de voorzitter van het Europees Parlement, Martin Schulz, de voorzitter van het Comité voor de Karelsprijs, Jürgen Linden, en de burgemeester van Aken, Marcel Philipp.[14]

Het schrijn is 204 cm lang, 57 cm breed en 94 cm hoog, en heeft de vorm van een langgerekt huis of eenbeukige kerk, de traditionele vorm van schrijnen uit de late 12e eeuw. De eikenhouten kist is geheel bedekt met verguld koper met verguld zilveren reliëfs, filigraan, edelstenen, email en bruinvernis. De dubbel profileerde basis is rijk versierd met emailplaatjes, graveerwerk, filigraanwerk en gestempelde zilveren bloemmotieven. Kammen van verguld koper en vijf sierknoppen sieren de daknok en de puntgevels.[9]

BERJAYA
BERJAYA
Voor- en achtergevel van het Karelsschrijn

Voor- en achtergevel

[bewerken | brontekst bewerken]

Het iconografisch programma van de afbeeldingen op het schrijn is sterk beïnvloed door de absolutistische ideeën van de Hohenstaufers met betrekking tot het door God gegeven koningschap. Karel de Grote zit op zijn troon aan de voorzijde van het schrijn tussen twee vertegenwoordigers van de Kerk, beiden staand weergegeven: paus Leo III aan zijn rechterzijde en aartsbisschop Turpijn van Reims aan zijn linkerzijde. De plaats die Karel op het schrijn inneemt is bij de meeste andere reliekschrijnen voor Christus gereserveerd. Hijzelf, keizer Karel, is hier de plaatsvervanger van Christus, belangrijker dan de paus en de aartsbisschop. Boven de figuur van Karel bevindt zich in een medaillon een halve, naar voren leunende Christusfiguur. Op de achtergevel troont de Madonna met kindje Jezus tussen de aartsengelen Michaël en Gabriël. Drie halve figuren erboven stellen de personificaties van de christelijke deugden Geloof, Hoop en Liefde voor.

De twee lange zijden van het schrijn zijn voorzien van acht arcaden die rusten op geëmailleerde dubbele zuilen. In de nissen daartussen tronen zestien koningen en keizers van het Heilige Roomse Rijk, op een plaats die bij andere schrijnen is gereserveerd voor profeten en apostelen. Gekozen werd voor heersers die door schenkingen en stichtingen (van jaargetijden, altaren, enz.) op een bijzondere manier verbonden waren met het Akense domkapittel. De namen van de koningen staan in bruinvernis op de arcadebogen. De volgorde waarin ze zijn geplaatst lijkt willekeurig, in ieder geval niet chronologisch. Aan de rechterzijde, gezien vanaf de Karelszijde, zijn van links naar rechts afgebeeld: Hendrik II, Otto III, Otto I, Otto II, Karel de Dikke, een onbenoemde heerser, Hendrik VI en Frederik II. Aan de andere lange zijde zien we Hendrik III, Zwentibold, Hendrik V, Hendrik IV, Otto IV, Hendrik I, Lotharius I en Lodewijk de Vrome.

De reliëfs op het dak benadrukken het keizerlijke thema in het iconografische programma nog verder. Elk van de twee dakvlakken is voorzien van vier reliëfs met scènes uit de legende van Karel de Grote, het verhaal van de keizer die zich door een goddelijke roeping laat leiden. De literaire bron voor deze reliëfs is de Historia Karoli Magni et Rothalandi, ook wel de pseudo-Turpijn genoemd, een manuscript dat in het verleden werd toegeschreven aan de achtste-eeuwse aartsbisschop Turpijn van Reims. Recenter onderzoek heeft aangetoond dat de Historia Karoli waarschijnlijk rond 1130-1140 in Frankrijk is geschreven. Het verhaal vormt het vierde boek van de Codex Calixtinus, waarvan het origineel bewaard wordt in Santiago de Compostela. Een kopie ervan bevindt zich in de archieven van de Dom van Aken.

De afgebeelde scènes zijn, van links naar rechts om het schrijn heen lopend:[15]

BERJAYA
Dakreliëf 1: de droom van Karel de Grote
BERJAYA
Dakreliëf 2: de verovering van Pamplona
  1. De roeping van Karel de Grote in twee droomvisioenen, uitgebeeld in twee scènes. In de eerste scène ligt Karel te slapen in zijn paleis. De apostel Jakobus verschijnt in een droom en beveelt hem naar Galicië te gaan om zijn graf te verdedigen tegen de ongelovigen. Op de boekrol die Jakobus vasthoudt staat een Latijnse tekst, vertaald: "Karel de Grote, sta op, kom. Ik ben gekomen om u Galicië te geven." In de tweede scène, rechts, ziet Karel vanuit het raam de 'sterrenweg', die hem naar het graf van Jakobus in Santiago de Compostela zal voeren.
  2. De verovering van Pamplona. Tijdens het beleg bidden Karel en zijn ridders tot de heilige Jakobus. Ze hebben hun tenten rond de stad opgeslagen. Een van hen draagt Karels schild en standaard. De hand van God verschijnt uit de wolken en de stadsmuren storten in.
  3. Het kruiswonder. Karel knielt temidden van zijn ridders en vraagt God welke ridders in de strijd tegen de Saracenen zullen sneuvelen. Ze zijn herkenbaar door het kruis op hun harnas. Karel sluit hen op in een kerk, zodat ze niet zullen sterven.
  4. Het wonder van de bloeiende lansen. De ridders liggen te slapen. Hun lansen die ze in de grond hebben geplant beginnen te bloeien, waarmee hun dood wordt aangekondigd. Karel zit met drie ridders in een tent. Rechts rijden ridders de strijd in met hun bloeiende lansen, de dood tegemoet.[noot 6]
  5. De ridderveldslag. In een veldslag wordt de vijand verslagen. Karel rijdt te paard, met schild en zwaard in zijn handen, op zijn helm een kroon. Rechts daarvan is te zien hoe hij ten val komt en zijn paard sterft. In een andere scène rouwt hij in de kerk om de ridders die daar ingesloten waren en toch gesneuveld zijn.
  6. Karels biecht. Het reliëf toont twee scènes in een kerk. Links gaat Karel de Grote ter biecht bij de heilige Egidius. Volgens de legende zou hij daarbij een zware zonde verzwegen hebben. Rechts draagt Egidius de mis op. Voor het altaar knielt Karel en boven hem toont een engel aan Egidius een perkamentrol, waarop Karels zware zonde als een lichte zonde wordt aangemerkt.
  7. Karel ontvangt de doornenkroon en het wonder van de handschoen. In een kerk knielt Karel voor het altaar en ontvangt de bloeiende doornenkroon van Christus, omringd door andere relieken. Karel wordt vergezeld door aartsbisschop Turpijn (met mijter) en een onbekende. Links wijst een gekroonde heerser naar de doornenkroon en kijkt naar de hand van God. Rechts vertrekken Karel en bisschop Turpijn te paard. Tussen hen in zweeft in de lucht Karels handschoen, verlicht door zonnestralen.
  8. 'Wijdingsreliëf'. Karel de Grote knielt voor de tronende maagd Maria, vergezeld door aartsbisschop Turpijn en een aartsengel. Net als een van de wijzen uit het oosten biedt hij Maria en het Christuskind een geschenk aan: de Dom van Aken, die hij heeft laten bouwen. Het opschrift op het reliëf luidt: "Beeld en voorafbeelding tegelijk, torenhoge, glorieuze tempel, die u, koning Karel de Grote, voor de zuiverste moeder Gods hebt laten bouwen hier in Aken, waar hete bronnen uit de aarde ontspringen."
BERJAYA
"Olifantenstof" (Byzantijns, vóór 1000)

Het schrijn bevat naar men aanneemt een deel van het gebeente van Karel de Grote. De beenderen bevinden zich binnen het schrijn in een verzegelde zinken kist. In 1874 gaf het Domkapittel van Aken de antropoloog Hermann Schaaffhausen (1816-1893) opdracht om de beenderen uit het schrijn wetenschappelijk te onderzoeken. Schaaffhausen stelde vast dat Karel 2,04 meter lang was. Recenter onderzoek uit 2010 herzag dit cijfer en kwam uit op een lengte van 184 centimeter, wat nog steeds als bovengemiddeld kan worden beschouwd voor Karels tijd. Karels biograaf Einhard had al eerder een opmerking gemaakt over Karels lengte: "want zijn lengte was, zoals bekend, zeven voet" (nam septem suorum pedum proceritatem ejus constat habuisse mensuram). Volgens het onderzoek uit 1874 was het rechter sleutelbeen gebroken en vervolgens genezen. Geen enkele historicus vermeldt deze verwonding. De schedel vertoont een dolichocefale vorm (langwerpige schedel) en de schedelnaden waren spoorloos gesloten, zoals typisch is voor ouderdom. De resultaten van het onderzoek worden beschouwd als bewijs voor de authenticiteit van de relieken van Karel de Grote.

Naast de botrelieken bevat het Karelsschrijn sinds 1988 weer enkele antieke zijden stoffen, die in de 19e eeuw uit het schrijn waren verwijderd. Daaronder bevinden zich de eerder genoemde Byzantijnse "leeuwenstof" van vóór het jaar 1000 (162 × 137,5 cm) en de Siciliaanse "hazenstof" van omstreeks 1200 (125,5 × 239 cm), door koning Frederik II in 1215 in het schrijn gedeponeerd.[16]

Kunsthistorische vergelijking

[bewerken | brontekst bewerken]

Het Karelsschrijn volgt de traditie van andere schrijnen uit de Maasstreek en is, met uitzondering van het inwijdingsreliëf op het dak, stilistisch uniform. De meestervakman kwam waarschijnlijk uit hetzelfde atelier als de zogenaamde Petrusmeester, die verantwoordelijk was voor een deel van de Maastrichtse Noodkist. Het genoemde inwijdingsreliëf is waarschijnlijk door een tweede meester vervaardigd, die omstreeks 1220 ook aan het Mariaschrijn in Aken werkte. Beide Akense schrijnen gelden als meesterwerken van middeleeuwse edelsmeedkunst.

Het iconografisch programma met vorstenportretten kent twee voorbeelden, beide uit circa 1165-1170. Het eerste is het in 1167 voltooide, niet meer bestaande Arnulfusschrijn in Metz, het reliekschrijn van bisschop Arnulf van Metz, waarop Merovingische, Karolingische en latere Duitse en Franse koningen waren afgebeeld. Het tweede, de armreliekhouder van Karel de Grote, werd eeuwenlang bewaard in de Dom van Aken en bevindt zich sinds 1825 in het Louvre. Het bevat afbeeldingen in reliëf van enkele Karolingische, Ottoonse en Staufische koningen en keizers.[17]

Bronvermelding, noten

[bewerken | brontekst bewerken]
BERJAYA
Zie de categorie Karlsschrein (Aachen) van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.