close
Naar inhoud springen

Ontsteking (geneeskunde)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Esculaap
Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.

Een ontsteking of inflammatie is een reactie van het lichaam op beschadiging van weefsel, die dikwijls het gevolg is van prikkels van buiten. De prikkel is vaak microbiologisch van aard, dat wil zeggen een infectie door een bacterie, een virus of een schimmel. Daarnaast kan aanraking met een irriterende chemische stof of blootstelling aan hitte, ioniserende straling of UV-straling tot ontstekingen leiden. Het met een insectensteek ingespoten gif kan ook een ontstekingsreactie oproepen. Een ontsteking dient om de eventuele agens, dat wil zeggen het schadelijke micro-organisme of de schadelijke stof, te verwijderen en om weefselschade te herstellen.

Een slijmbeursontsteking, een vorm van RSI, is niet het gevolg van een prikkel van buiten, maar een voorbeeld van een ontsteking of een gewrichtsontsteking die ontstaat door de mechanische overbelasting en vervolgens weefselbeschadiging van een gewricht. Gewrichtsontstekingen kunnen daarnaast ook optreden door een auto-immuunreactie van het lichaam, bijvoorbeeld bij reuma.

Historische indeling

[bewerken | brontekst bewerken]

Al in de eerste eeuw voor Christus was een aantal kenmerken van ontsteking bekend. Deze symptomen zijn door de Romein Celsus beschreven als:

  • dolor, lokale pijn
  • calor, lokale warmte
  • tumor, lokale zwelling
  • rubor, lokale roodheid

In de 19e eeuw werd door de Duitse patholoog Rudolf Virchow een vijfde ontstekingskenmerk toegevoegd:

  • functio laesa, functieverlies

Deze vijf symptomen treden vooral bij een acute ontsteking op, maar bij een chronische ontsteking minder of niet. Een acute ontsteking treedt meteen na de weefselbeschadiging op en duurt meestal niet langer dan enkele dagen. Van een chronische ontsteking is sprake als deze langer dan drie maanden aanhoudt.

Fasen van ontsteking

[bewerken | brontekst bewerken]

Bij een ontsteking worden een aantal fasen onderscheiden, achtereenvolgens:

  • hyperaemie: versterkte doorbloeding. Hyperemie wordt aan de arteriële, de bloedaanvoerende 'vaatzijde' veroorzaakt door vaatverwijdende stoffen en vasoactieve mediatoren, waarvan histamine en bradykinine de belangrijkste zijn. Aan de veneuze kant, ontstaat in de bloedafvoerende haarvaten en vervolgens aderen een verhoogde doorbloeding, waarop een reflexmatige vaatverwijding volgt. Het bloed gaat hierdoor langzamer stromen. Doordat er meer bloed in het ontstoken gebied komt, zal het weefsel roodgekleurd, rubor, en warm, calor, worden en kunnen meer bloedcellen voor de afweer zorgen.
  • exsudatie: uittreden van vocht uit de bloedomloop, door een verhoogde doorlaatbaarheid of permeabiliteit van de vaatwand van de haarvaten. Exsudatie vindt ook onder de invloed van histamine en bradykinine plaats. De openingen tussen de eenlagige endotheelcellen waaruit de haarvatwanden zijn gevormd, worden groter door de vaso-actieve mediatoren, maar ook de hydrostatische druk binnen de capillairen stijgt. Hierdoor verlaat meer vocht de bloedvaten dan normaal. Door de nu verhoogde permeabiliteit van de haarvatwanden verlaten ook plasma-eiwitten als albumine, die normaal voor de osmotische druk zorgen, de bloedbaan. Daarmee daalt de resorptie van bloed vanuit de capillairen naar de bloedbaan. Dit betekent dat er meer vocht in het ontstoken weefsel achterblijft, dat is ontstekingsoedeem. Meer weefselvocht betekent dat er bij de ontsteking een onderhuidse zwelling, een tumor optreedt.
  • infiltratie of diapedese van verschillende soorten witte bloedcellen vanuit de bloedbaan naar de extracellulaire vloeistof tussen de weefselcellen, ter plaatse van de ontsteking. Als eerste treden na 24-48 uur granulocyten uit. Daarop volgen de monocyten of macrofagen en de plasmacellen. Dit gebeurt onder invloed van cytokinen, stoffen die hetzij door endotheelcellen worden afgegeven, hetzij door cellen bij de ontstekingshaard van bacteriën, of door beschadigde eigen cellen. De leukocyten zorgen in het ontstoken weefsel voor fagocytose van de dode cellen of van de ziekteverwekkers en breken deze vervolgens af. Er kan sprake zijn van een aspecifieke of van een specifieke reactie van de leukocyten. Granulocyten, dat zijn bij een ontsteking vooral neutrofielen, en macrofagen zorgen voor de aspecifieke afweer. Lymfocyten, waaronder plasmacellen, zijn door antigeen-herkenning bij een specifieke reactie betrokken. Bij een ontsteking zijn er dus verschillende typen leukocyten in het weefsel bezig en is er sprake van een verhoogde cellulaire activiteit. Deze leidt tot een verhoogd energieverbruik en daarmee tot een toegenomen warmteproductie in het ontstoken weefsel: de calor, een van de vijf ontstekingskenmerken.
  • celgroei: proliferatie of vermenigvuldiging van onder andere fibroblasten, met als doel weefselherstel. Roodheid kan ook in deze fase, in het herstellende- of granulatieweefsel, optreden wanneer onder invloed van groeifactoren vermenigvuldiging van bloedvaatjes in het weefsel plaatsvindt.

Weefselherstel vs littekenvorming en functieverlies

[bewerken | brontekst bewerken]

Het aangetaste weefsel herstelt zich vaak tot de oorspronkelijke staat, maar het kan ook gebeuren dat het weefsel niet goed genoeg kan regeneren om volledig te herstellen. Het beschadigde weefsel wordt in dat geval door bindweefsel vervangen, waarbij een litteken zichtbaar blijft. Het ontstaan van littekenweefsel, na genezing als gevolg van de ontstekingsreactie, blijkt afhankelijk van de mogelijkheid tot weefselregeneratie. Deze weefselregeneratie wordt weer bepaald door het type van de aangetaste cellen. Labiele cellen, bijvoorbeeld epitheelcellen, delen voortdurend en hebben daardoor een grote regeneratiecapaciteit. Stabiele cellen, waaronder de endotheelcellen, de gladde spiercellen of de levercellen, delen normaal gesproken niet, maar bij beschadiging van omliggend weefsel komen ze alsnog in de celcyclus terecht. Deze cellen hebben dus ook een goede regeneratiecapaciteit. Permanente cellen, zoals zenuwcellen, dwarsgestreepte spiercellen van het skelet en het hart, kunnen niet delen, dus kunnen ook niet regeneren. Na beschadiging van deze cellen wordt het oorspronkelijke weefsel door bindweefsel vervangen. Dit kan dan tot functieverlies of functio laesa leiden.

Pijnsensatie of dolor

[bewerken | brontekst bewerken]

De pijn of dolor die optreedt bij een ontsteking, wordt door twee factoren veroorzaakt. Ten eerste is er een lokale zwelling vanwege het ontstekingsoedeem. De zwelling drukt op het ontstoken en op het omliggende weefsel, waardoor nociceptoren worden geprikkeld. Daarnaast veroorzaken de stoffen bradykinine en PGE2 pijn. Bradykinine, al genoemd als een stof die hyperemie en exsudatie veroorzaakt, zorgt voor de stimulatie van sensorische receptoren. PGE2 of andere prostaglandinen zijn metabolieten van arachidonzuur. Arachidonzuur vormt een bestanddeel van de fosfolipiden die zich in het celmembraan bevinden. Bij een ontsteking kan, onder invloed van ontstekingsmediatoren, arachidonzuur door leukocyten worden omgezet in verschillende metabolieten, die samen eicosanoïden worden genoemd. Eicosanoïden werken net als bradykinine op sensorische receptoren in, die daardoor pijn registreren. Behalve permanent functieverlies door vervanging van oorspronkelijk weefsel door bindweefsel, treedt ook tijdelijk functieverlies op. Het ontstoken gebied wordt niet gebruikt, omdat het door de zwelling niet mogelijk is, om pijn te voorkomen of door een combinatie van beide.

Ontstekingen kunnen met ontstekingsremmers zoals corticosteroïden worden bestreden. Deze worden vaak al toegepast voordat de oorzaak van de ontsteking weg is, om de symptomen, waaronder pijn, weg te nemen.

BERJAYA
Zie de categorie Inflammations van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.