Miri
| Gemeente in Maleisië | |||
|---|---|---|---|
| Situering | |||
| Deelstaat | Sarawak | ||
| Deelgebied | Miri (bahagian) | ||
| District | Miri | ||
| Coördinaten | 4° 24′ NB, 113° 60′ OL | ||
| Algemeen | |||
| Inwoners (2010) |
234.541[1] | ||
| Overig | |||
| Gem.-code (Kod PBT) | 1303 | ||
| Website | Officiële website | ||
| Foto's | |||
| |||
Miri is een stad en gemeente (majlis bandaraya) in de staat Sarawak op het eiland Borneo in Maleisië. Het is de tweede grote gemeente van Sarawak. Het heeft 235.000 inwoners. De stad is de olie-stad van Sarawak. Vanaf de stad zijn veel booreilanden in zee zichtbaar.
In het oude deel van de stad bevindt zich een markt, dicht bij een Chinese tempel. Vier kilometer uit het centrum, noordelijk van de stad, ligt de grootste Chinese tempel van Zuidoost-Azië.
Toeristisch gezien is Miri geen bijzondere stad, hoewel het wel wordt gebruikt als uitvalsbasis naar Mulu, Niah en Brunei. Bij de stad bevinden zich vele duiklocaties. De olieindustrie (Miri wordt weleens Shell town genoemd) heeft voor zover bekend, de "riffen" niet aangetast.
Luchthaven Miri ligt op ongeveer 10 kilometer van de stad. Het busstation Wisma Pelita ligt aan de Jalan Melayu niet ver van het Wisma Pelita winkelcentrum.
Geschiedenis
[bewerken | brontekst bewerken]Prehistorie
[bewerken | brontekst bewerken]De eerste jagers-verzamelaars bezochten de westelijke ingang van de Niah-grotten, gelegen op 110 kilometer ten zuidwesten van de stad Miri, ongeveer 50.000 jaar geleden, toen Borneo nog verbonden was met het vasteland van Zuidoost-Azië. Het landschap rond de Niah-grotten was destijds droger en meer open dan tegenwoordig. Het prehistorische gebied bestond uit een mozaïek van dichte bossen, struikgewas, parkachtige vegetatie, moerassen en rivieren. De bewoners konden in deze regenwoudomgeving overleven door te jagen, vissen, weekdieren te verzamelen en wilde planten te oogsten.
Het vroegste bewijs van menselijke bewoning in het gebied dateert van circa 40.000 v.Chr. en werd aangetroffen in de Niah-grotten uit het paleolithicum. Dit blijkt uit de ontdekking van een Homo sapiens-schedel, bekend als de Deep Skull, die in 1958 door Tom Harrisson werd opgegraven in een diepe sleuf. Deze schedel geldt als de oudste bekende schedel van een anatomisch moderne mens in Zuidoost-Azië.
De schedel behoorde vermoedelijk toe aan een meisje van ongeveer zestien tot zeventien jaar oud. In de nabijheid van de Deep Skull werden tevens niet-versteende botresten gevonden van Manis paleojavanica (de Aziatische reuzenpangolin), gedateerd op circa 30.000 v.Chr. Daarnaast zijn in de Niah-grotten mesolithische en neolithische begraafplaatsen aangetroffen, wat wijst op een langdurige menselijke aanwezigheid in het gebied gedurende verschillende prehistorische perioden.
Bestuur onder de Brooke-dynastie
[bewerken | brontekst bewerken]In 1868 volgde Charles Brooke zijn oom, James Brooke, op als radja van Sarawak. In 1883 droeg de sultan van Brunei, Sultan Abdul Momin, het district Baram, waaronder Miri, over aan Charles Brooke. Kort daarna werd de Vierde Divisie van Sarawak opgericht, met Claude Champion de Crespigny als eerste resident. Destijds was Miri nog een klein vissersdorp. De nederzetting bestond uit ongeveer twintig verspreid liggende huizen, enkele houten winkels van Chinese handelaren en één Arabische koopman, omringd door mangrovebossen en nipa-palmen.
In 1883 werd in Claudetown (het huidige Marudi), ongeveer 43 kilometer ten oosten van Miri, een fort gebouwd. Claudetown werd het bestuurlijke centrum van de nieuwe divisie. De resident werd bijgestaan door twee ondergeschikte ambtenaren, dertig rangers en enkele inheemse politieagenten. In 1891 volgde Charles Hose De Crespigny op als resident. Het fort in Marudi werd later omgedoopt tot Fort Hose.

Om een einde te maken aan de conflicten tussen verschillende etnische groepen in de Baram-regio organiseerde Charles Hose in april 1899 een vredesconferentie in zijn fort. Deze bijeenkomst leidde tevens tot de eerste Baram Regatta, een traditionele langeafstandswedstrijd met prauwen tussen inheemse gemeenschappen, die tot op heden jaarlijks wordt gehouden.
De lokale bevolking rond Miri won al eeuwenlang aardolie uit hand gegraven putten. In het Chinese werk Song Huiyao Jigao uit de Song-dynastie wordt reeds in de elfde eeuw melding gemaakt van de invoer van kamfer en aardolie uit Borneo. In 1882 rapporteerde Claude de Crespigny aan de regering-Brooke dat zich in de omgeving van Miri achttien hand gegraven olieputten bevonden. Hij adviseerde om het gebied rond de Miri-rivier grondig te onderzoeken op olievoorraden, maar zijn aanbevelingen werden aanvankelijk genegeerd.
Toen Charles Hose in 1891 resident werd, toonde hij wel belangstelling voor deze mogelijkheid en werkte hij samen met De Crespigny aan verder onderzoek. De Crespigny begon de natuurlijke olim uittredingen in kaart te brengen, maar een geologisch adviseur uit Engeland raadde verdere exploratie af vanwege de gebrekkige infrastructuur en moeilijke logistieke omstandigheden.
Na zijn pensionering keerde Charles Hose terug naar Engeland. In Londen besprak hij het potentieel van olie-exploratie in Miri met de Anglo-Saxon Petroleum Company, die in 1907 onderdeel werd van Royal Dutch Shell. H.N. Benjamin, een filiaalmanager van het bedrijf, toonde belangstelling voor het voorstel. In 1909 ondertekende radja Charles Brooke in Londen de eerste concessie voor oliewinning in Sarawak.
Royal Dutch Shell stuurde daarop de geoloog Josef Theodor Erb samen met Charles Hose naar Miri. Tussen augustus 1909 en juli 1910 bracht Erb de olievelden van Miri systematisch in kaart. Hij identificeerde tevens een locatie die toen bekendstond als Miri Hill (het huidige Canada Hill), ongeveer 150 meter boven zeeniveau, als een geschikte anticlinale structuur voor olieboringen.
Op 10 augustus 1910 begonnen de eerste boorwerkzaamheden. Hiervoor werd een circa 30 meter hoge houten boortoren gebruikt, die later de bijnaam Grand Old Lady kreeg. Op 22 december 1910 werd op een diepte van 130 meter olie aangeboord in de eerste put. Royal Dutch Shell richtte vervolgens de dochteronderneming Sarawak Oil Field Ltd. op, het huidige Sarawak Shell Berhad.
Tussen 1910 en 1972 werden rondom Miri nog eens 624 olieputten op land geboord. Samen staan deze bekend als het Miri-olieveld. Dit bleef het enige olieveld op het vasteland van Sarawak, aangezien de olieproductie vanaf het einde van de jaren vijftig steeds meer naar offshore locaties werd verplaatst. De eerste olieput op Canada Hill, Miri Well No. 1, produceerde gedurende zestig jaar ongeveer 0,65 miljoen vaten olie voordat zij op 31 oktober 1972 definitief werd gesloten.
In 1914 werden in Miri de eerste olieraffinaderij en een onderzeese pijpleiding aangelegd. De raffinaderij werd in 1916 verplaatst naar Lutong, ongeveer elf kilometer ten noorden van Miri.

Het kantoor van de resident verhuisde in 1912 van Marudi naar Miri. De stad groeide vervolgens in hetzelfde tempo als de olieproductie van Shell. In 1920 werden de eerste wegen aangelegd en deden fietsen en motorfietsen hun intrede. Tegen 1921 telde Miri veertig winkelpanden, een Engelstalige school en een Chinese school. Kort daarna verschenen ook de eerste auto's in de stad. In 1924 werd de Pujut Road aangelegd, waardoor Miri en Lutong rechtstreeks met elkaar werden verbonden. Een jaar later werd moderne rotatieboring ingevoerd. De olieproductie bleef stijgen en bereikte in 1929 een hoogtepunt van 15.211 vaten per dag. Tegelijkertijd werden de watervoorziening verbeterd, grote stukken oerwoud ontgonnen en nieuwe wegen aangelegd.
In 1929 werd Miri het bestuurlijke centrum van de gehele Baram-regio, waarmee de stad haar positie als economisch en administratief zwaartepunt van Noord-Sarawak verder verstevigde.
Tweede Wereldoorlog
[bewerken | brontekst bewerken]De regering-Brooke had jarenlang actief gelobbyd bij de Britse regering om Sarawak in geval van oorlog als een van haar protectoraatsgebieden te erkennen. In 1888 stemde Groot-Brittannië uiteindelijk in met het verlenen van bescherming aan Sarawak. In de jaren dertig stuurden de Britten verschillende militaire eenheden naar Sarawak om de verdediging van het gebied te versterken. In 1938 werden onder leiding van radja Charles Vyner Brooke vliegvelden aangelegd in Miri, Kuching, Oya en Mukah ter voorbereiding op een dreigende oorlog.
Tegen 1941 hadden de Britse marine en luchtmacht hun eenheden echter uit Sarawak teruggetrokken en naar Singapore verplaatst. De Britse regering adviseerde daarop de regering-Brooke om bij een Japanse aanval een tactiek van de verschroeide aarde toe te passen. Daartoe werd een zogenoemd Denial Scheme opgesteld, gericht op de vernietiging van de olie-installaties in Miri en Lutong. De kuststrook van 48 kilometer tussen Lutong en Miri werd vanwege een tekort aan manschappen als onverdedigbaar beschouwd tegen een Japanse landing.
In mei 1941 werden een infanteriecompagnie van het 2/15e Punjab-regiment, een batterij van de Hong Kong-Singapore Royal Artillery uitgerust met 6-inch kanonnen en een peloton van de Royal Engineers in Miri gestationeerd om toezicht te houden op de vernietiging van de olievelden. In augustus 1941 werd een operatie uitgevoerd waarbij de olieproductie in Miri met 70 procent werd teruggebracht. Kort nadat het nieuws van de Japanse aanval op Pearl Harbor bekend werd, werden boven Miri Japanse verkenningsvluchten waargenomen. De regering-Brooke besloot daarop tot de volledige vernietiging van de olievelden en vliegvelden in Miri. Op 8 december 1941 ontvingen functionarissen van Shell opdracht om het Denial Scheme uit te voeren. Diezelfde avond was de operatie voltooid. Alle producerende olieputten werden afgesloten, terwijl essentiële installaties en machines werden gedemonteerd en naar Singapore verscheept. Geschoolde arbeiders en belangrijke bedrijfsdocumenten werden eveneens naar Singapore overgebracht. Het Punjab-regiment en verschillende bestuurders werden vervolgens naar Kuching gestuurd om daar de verdediging te versterken.
Op 16 december 1941, negen dagen na de aanval op Pearl Harbor, landden ongeveer 10.000 Japanse militairen zonder noemenswaardige tegenstand op het strand van Tanjung Lobang bij Miri. Een dag later viel een Nederlandse vliegbotenpatrouille afkomstig van het eiland Tarakan de Japanse torpedobootjager Shinonome aan, onder bevel van Hiroshi Sasagawa. Het schip zonk, waarbij alle 228 bemanningsleden omkwamen. Een andere vliegbotenpatrouille, de X-33, bracht tevens schade toe aan een Japans transportschip.
Na de val van Singapore op 15 januari 1942 werden de geschoolde arbeiders die zich met hun uitrusting schuilhielden, door de Japanners naar Miri teruggebracht. Zij werden onmiddellijk ingezet voor de Japanse olievoorzieningsmaatschappij Nen Ryo Hai Kyu. Een groot deel van de Japanse boor- en raffinageapparatuur was verplaatsbaar. Tijdens de Japanse bezetting, van 1941 tot 1945, werd in totaal ongeveer 0,75 miljoen vaten (119.000 m³) olie geproduceerd.
Gedurende de bezettingsjaren waren Miri en Lutong regelmatig doelwit van geallieerde luchtaanvallen en bombardementen. Voedsel, kleding en geneesmiddelen waren schaars. Werknemers van de Japanse olievoorzieningsdienst werden ingezet voor de heropbouw en het onderhoud van de Lutongbrug en het vliegveld van Lutong, die door geallieerde bombardementen waren beschadigd.
Recente ontwikkelingen
[bewerken | brontekst bewerken]In 1974 werd het Maleisische nationale olie- en gasbedrijf Petronas opgericht. Dit leidde tot een wijziging van het concessiestelsel naar een production sharing contract-systeem (PSC) tussen Shell en Petronas. Alle buitenlandse oliebedrijven, inclusief Shell, moesten voortaan licenties verkrijgen van Petronas. De eerste twee PSC’s werden op 30 november 1976 ondertekend.
Onder dit systeem mochten buitenlandse oliebedrijven maximaal 41% van de geproduceerde olie behouden totdat hun initiële investeringen waren terugverdiend. Na terugbetaling van de investeringen kregen de bedrijven vervolgens 30% van de inkomsten na aftrek van operationele kosten en olie-royalty’s.

Petronas richtte daarnaast het bedrijf Petronas Carigali Sdn Bhd op, dat rechtstreeks betrokken was bij de exploratie, ontwikkeling en productie van olie en gas in Maleisië. Het bedrijf startte ook het Baram Delta Gas Gathering (Bardegg)-project, dat zich richt op de verzameling en compressie van gas uit vijf offshorevelden bij Miri, namelijk Betty, Bekor, Baram, Baronia en West Lutong, gelegen op 10 tot 45 kilometer uit de kust. Het doel hiervan was om gasverlies tijdens olieproductie te minimaliseren.
Petronas en Shell zijn tevens actief in educatieve initiatieven, waaronder het verstrekken van studiebeurzen aan studenten. Daarnaast werken beide bedrijven samen aan milieuprojecten, waaronder het eerste Maleisische rig-to-reef-project, waarbij een verlaten offshoreplatform werd omgevormd tot onderdeel van het Siwa-rif om het mariene ecosysteem te ondersteunen.
In 2014 werd bovendien het Piasau Nature Reserve opgericht met steun van beide bedrijven.
Het stadsbestuur van Miri nam het zeepaardje aan als officieel symbool van de stad. Dit werd voorgesteld door de voormalige minister-president van Sarawak, Abdul Taib Mahmud, en geïntroduceerd in het kader van de campagne I Love Miri in 1994. Het zeepaardje werd gekozen vanwege zijn kenmerkende vorm en sierlijke bewegingen. Deze symboliek staat voor de culturele diversiteit van Miri, die vreedzaam samenleeft, evenals de ligging van de stad aan zee en koraalriffen en haar status als toeristische bestemming.
Op 20 mei 2005 kreeg Miri officieel de status van stad en werd het de tiende stad van Maleisië. Tegelijkertijd werd het de eerste niet-hoofdstad in Maleisië die deze status verkreeg. Sindsdien wordt Miri City Day jaarlijks op 20 mei gevierd, na afkondiging door de toenmalige Chief Minister Abdul Taib Mahmud.
Ter gelegenheid van deze statusverhoging werd een tijdcapsule met krantenartikelen en een gedenkboek begraven bij het Petroleum Science Museum op Canada Hill. Deze capsule zal worden geopend op 20 mei 2105, honderd jaar later.
Er zijn daarnaast initiatieven ontwikkeld om Miri verder te positioneren als een leefbare resortstad.
Geografie
[bewerken | brontekst bewerken]Miri ligt op de alluviale vlakte van de Miri-rivier, aan de westkust van het noorden van Sarawak op het eiland Borneo. Door de overheersende zuidelijke offshore stroming heeft kustafzetting geleid tot de vorming van de Peninsula Road als een barrièreeiland tussen de Miri-rivier en de kust. Hierdoor ontstaat een zogenoemd Yazoo-effect, waarbij de rivier parallel aan de kustlijn stroomt voordat zij doorbreekt naar de Zuid-Chinese Zee.
Het stedelijk gebied ligt voornamelijk aan de landzijde (oostkant) van de Miri-rivier. Slechts enkele verspreide woonwijken, een golfclub en een kleine landingsbaan bevinden zich op de Peninsula Road.
Klimaat
[bewerken | brontekst bewerken]Miri heeft een tropisch regenwoudklimaat. Er zijn twee moessonseizoenen: de zuidwestmoesson, die loopt van april tot september en wordt beschouwd als het droge seizoen, en de noordoostmoesson, van oktober tot maart, die het natte seizoen vormt.
De jaarlijkse neerslag bedraagt ongeveer 250 tot 380 cm. De temperatuur blijft het hele jaar door relatief constant, met waarden tussen 23 °C en 32 °C. Incidenteel kan de temperatuur dalen tot 16 °C à 18 °C, met name in november, december en januari. De laagst geregistreerde temperatuur was 11 °C in december 2010.
Externe links
[bewerken | brontekst bewerken]- (en) Miri
Dit artikel of een eerdere versie ervan is een (gedeeltelijke) vertaling van het artikel Miri op de Engelstalige Wikipedia, dat onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.
