Vincent
Hunink De epigrammen van Seneca tekst gepubliceerd in: Hermeneus 67, 1995, 132-8 Het werk van de Romeinse schrijver Seneca (ca 1 vC - 65) is door de eeuwen heen betrekkelijk goed bewaard gebleven en veel bestudeerd. Ook tegenwoordig wordt het op scholen nog altijd gelezen: dit jaar is Seneca in Nederland zelfs opnieuw eindexamenauteur. Voor dit succes zijn verschillende redenen te geven. Om
te beginnen is Seneca's oeuvre heel divers, en omvat het zowel po�zie als
proza: we bezitten van zijn hand tragedies, een satire, brieven,
troost-geschriften, filosofische essay's en natuurwetenschappelijk werk. Deze
werken getuigen van Seneca's brede belangstelling en eruditie. Wat het oeuvre
verbindt is het Sto�sch gedachtengoed, of beter gezegd: het Sto�sch gekleurde
moralisme. Seneca is geen theoretisch denker, hoewel hij goed op de hoogte
blijkt van filosofische discussies. Als echte Romein is hij vooral gericht op
toepassing in de praktijk. Zijn moralisme sluit in sommige aspecten wonderwel
aan bij het later dominante Christendom, dat hem dan ook deels als voorloper
heeft ingelijfd. Dat is ongetwijfeld een belangrijke factor in de receptie van
Seneca. Daarnaast heeft Seneca's prozastijl vanaf het begin de aandacht
getrokken: korte, pakkende zinnetjes, met flitsende gedachten, en flink wat
retorische effecten. Het is een stijl die ook jongeren en (andere) beginners kan
aanspreken, en die didactisch dus heel aantrekkelijk is. Bij
alle waardering voor de strekking van Seneca's werk, wordt er meestal
laatdunkend of ronduit negatief gesproken over zijn persoon: hypocrisie,
achterbaksheid en gebrek aan ruggegraat zijn veel genoemde verwijten aan zijn
adres. Zo wordt het hem nog altijd kwalijk genomen dat hij als ��n van de
rijkste mannen uit de oudheid soberheid en onthouding preekt. Gedichtjes Die
merkwaardige dubbele houding, van waardering en afwijzing, zou ook kunnen gelden
voor een tot nu toe vrijwel onbekend deel van Seneca's werk. Ik doel hier op
zijn epigrammen. Epigrammen
van Seneca? Jazeker! De Latijnse letterkunde wordt zelden verrijkt door nieuwe
vondsten van papyri, zoals de Griekse, maar er liggen nog heel wat schatten die
herontdekt kunnen worden. Verspreid over diverse middeleeuwse handschriften zijn
enorm veel Latijnse epigrammen uit de oudheid bewaard, soms op naam van een
auteur, vaker anoniem. Daartussen zit veel rommel, maar er zijn ook heel wat
juweeltjes. Voor dat laatste denk ik bijvoorbeeld aan de epigrammen op naam van
Petronius (zie ook de bibliografische aantekening aan het slot van dit artikel). Niet
minder dan 72 op die manier overgeleverde epigrammen worden traditioneel aan
Seneca toegeschreven. Natuurlijk dringt zich onmiddellijk de vraag naar de
authenticiteit ervan op. Vervalsingen en verkeerde toeschrijvingen kennen we
maar al te goed. Zo is er bijvoorbeeld de briefwisseling tussen Seneca en de
apostel Paulus, die heel lang voor echt gehouden is. Op voorhand is er dus
aanleiding voor enige scepsis, maar het loont de moeite om die aan de kant te
zetten en de collectie als geheel te overzien. Dat
kan inmiddels makkelijk door een nieuwe uitgave in de Italiaanse
BUR-pocketreeks, verzorgd door Luca Canali en Luigi Galasso. Voor 13.000 lire
(een gulden of vijftien) krijgt de lezer inleiding, tekst en vertaling en ook
nog wat commentaar van deze verder moeilijk bereikbare teksten. Vluchtig
doorbladeren doet de lezer denken dat hij een echt 'boek' (in de antieke zin)
epigrammen in handen houdt, vergelijkbaar met een van de vijftien boeken
Martialis. De 72 epigrammen zijn voor het merendeel kort, maximaal een regel of
vijftien, met twee uitschieters van 66 en 36 regels. Samen hebben ze een aardige
omvang. Maar er blijkt geen duidelijke ordening in te zitten, en evenmin een
begin of een einde. Het is daardoor niet uit te maken of de gedichtjes ooit een
samenhangend geheel hebben gevormd. Maar
uiteindelijk is die vraag van minder belang. De compositie van een boek
epigrammen is meestal een zaak voor specialisten; voor de meeste lezers doet de
volgorde er niet toe. Veel interessanter zijn de gedichtjes op zichzelf: wat
staat er in, waar gaan ze over? Ballingschap
en wereldbrand Wie
de vooroordelen en bezwaren opzij wil zetten, komt in deze epigrammen aardige
dingen tegen. Het is bekend dat Seneca verbannen was door keizer Claudius,
voordat hij aan het hof van Nero kwam. Acht jaar lang, van 41 tot 49, verbleef
hij op Corsica. Onder de epigrammen zijn er twee waarin de auteur als balling
over dit eiland spreekt, uiteraard in weinig gunstige termen. Corsica,
land bewoond door Griekse kolonisten, Corsica,
vroeger 'Cyrnos' in het Grieks, Corsica,
korter dan Sardini�, langer dan Elba, Corsica,
rijk aan rivieren vol van vis, Corsica,
gruwelijk land wanneer de zomer begint, grimmiger
nog wanneer de Hondsster ziedt: Spaar
wie hier verbannen, nee, begraven is! Uw
aarde zij licht voor as van... levenden.
(236 R) Door
steile rotsen omringd is het rauwe Corsica, een
woest, verlaten, onherbergzaam oord. Geen
vruchten brengt er de herfst, geen graan de hete zomer, de
winter mist de gave van olijven, lenteregens
zetten er niets moois in bloei. Niets
ontkiemt er op die slechte grond. Er
is geen brood, geen slokje water, zelfs geen vuur. Alleen
de balling en de ballingschap.
(237 R) Opvallend
in beide is het zeer literaire karakter. Het eerste bevat een opsomming met
geleerde details, waarbij de herhaling van 'Corsica' dwingend en haast klaaglijk
overkomt. Het blijkt via een klimatologische climax uit te lopen op een
aanspreking van het eiland: vivorum cineri sit tua terra levis. Hier
wordt een welbekende formule van grafteksten (sit tibi terra levis 'de
aarde zij licht voor jou') fraai omgewerkt tot een pakkende pointe. In het
tweede gedichtje is de pointe minder origineel en verrassend, maar de opbouw
niet minder literair. Uiteraard is de sterk aangezette barheid van Corsica niet
realistisch. We zien hier een 'topos' (gemeenplaats) van verbanningsliteratuur.
Het bekendste voorbeeld daarvan zijn Ovidius' beschrijvingen van Tomi, zij het
dan dat Ovidius in het kille Scythenland iets meer reden tot huiveren had --
even aangenomen dat hij er geweest is.1 Door
het thema Corsica verwijzen de gedichten sterk naar Seneca. Dat is echter niet
steeds het geval. Het volgende gedichtje lijkt bijna geheel onpersoonlijk: Geen
werk verrijst, dat niet door lange jaren eens bedwongen
wordt, door harde tijd vervalt, al
trek je dan gebouwen op zo hoog als sterren, en
maak je pyramiden na in marmer. Alleen
de geest sterft niet, en kent geen ondergang: zijn
naam blijft ongerept in po�zie.
(418 R) Dat
is al bij Horatius nauwelijks een oorspronkelijke gedachte te noemen, laat staan
een halve eeuw later. Maar originaliteit is duidelijk ook niet de pretentie van
de dichter hier. Hij is er kennelijk op uit om een conventioneel thema nog eens
op zijn manier te verwoorden. Misschien is er hier een licht Sto�sche
achtergrond aanwezig. Die indruk zou je kunnen krijgen bij vergelijking en
combinatie met een ander epigram: Alles
verscheurt de tand des tijds, en alles snoeit hij, alles
verplaatst hij, niets blijft ongemoeid. Rivieren
verdrogen, de zee vlucht weg van de kust bergen
vervallen, toppen storten in -- kinderspel
nog maar! De schitterende hemel zal
ooit, ineens, door eigen vuur ontvlammen. De
dood eist alles. Sterven is een wet, geen straf. Onze
wereld zal eens niet meer bestaan.
(232 R) Het
nog veel conventionelere thema 'de tijd verteert alles' heeft hier een duidelijk
Sto�sche inkleuring gekregen: verwezen wordt naar de ekpyrosis, de
grote, alles omvattende verbranding waarin volgens de Stoa onze wereld op een
gegeven moment zal vergaan. Heldendood Niet
alleen ballingschap en, in mindere mate, wereldbrand doen aan Seneca denken. De
gedichten presenteren ook het onderwerp van de zelfmoord van Cato de jongere,
zoals we dat ook kennen uit Seneca's proza. (Bv. Brief 24,6 e.v.; 70,19;
71,8) Caesar
won van alles en allen, maar niet van jou: Cato,
je partij verloor, jij won.
(397 R) Cato
vond de dood niet door de eerste stoot, zijn
hand werd overtroffen door de wond. Hij
stak zijn vingers diep erin, zijn rechterhand gaf
aan zijn eminente geest ruim baan. Fortuna
bracht vertraging, want wij moesten weten: Cato's
hand vermag meer dan zijn zwaard.
(398 R) De
hand die Cato's heilige borst doorsteken moest aarzelde
-- en viel, en deed het niet. Toen
sprak hij tot zijn wond, met blikken van een vijand: 'Bestaat
er dan iets groots wat Cato niet kan? Jij,
hand, jij twijfelt dus en weigert Cato te doden? Maar
als hij vrij komt? Dan toch twijfel je niet! Geen
mens mag slaaf zijn, zolang Cato in leven is, laat
staan hijzelf: Cato wint als hij sterft.'
(399 R) Een
thema met drie variaties, drie verschillende pointes. Behalve heel erg Seneca,
is het ook heel erg 'retoren-school': we weten dat het daar een gewone praktijk
was om een traditioneel motief op verschillende wijzen te behandelen, en
bovendien dat de dood van Cato een standaard-voorbeeld was (zie bijvoorbeeld
Seneca Pater, Controversiae 8,4). Een
soortgelijk geval is de dood van Pompeius ('de Grote'), eveneens een 'stock
theme' voor retoren en literatoren. Ik geef hier drie varianten: Zeer
beroemde namen liggen nu verspreid begraven
in Africa, nog n�t in een graf: de
Grote, en, groter dan de Grote, Cato. Ach! Rome,
wat ligt hun as toch ver van jou!
(413 R) Licinus
heeft een graf van marmer, Cato geen, Pompeius
een klein. En goden zouden bestaan? Steen
drukt op Licinus, Cato stijgt door faam, Pompeius
door triomfen! Goden bestaan!
(414/414a R) Het
motief, dat nog in zeven andere Seneca-epigrammen aan bod komt, is minstens even
conventioneel. (De meest uitgebreide literaire bewerking is te vinden in
Lucanus, Bellum Civile, boek 8). Hier wordt de suggestie van retorische
oefeningen nog sterker door het subtiele vraag- en antwoordspel: zijn hier twee
leerlingen elkaar aan het overtroeven? Nog
heel wat andere conventionele thema's komen in Seneca's epigrammen voor, en
steeds in verschillende variaties op een thema: een po�tisch beschreven
zonsondergang (238/238 a R); de expeditie van Xerxes die de Athos doorstak (239
R; 442 R; 461 R); literaire varianten op grafschriften (396 R; 410 R; ook 457
R); motieven uit de burgeroorlogen (462-463 R; 406 R; 409 R; het laatste is,
wellicht niet toevallig, gericht aan Cordoba, Seneca's geboortestad, met aan het
eind opnieuw een verwijzing naar Seneca's ballingschap); de vergankelijkheid van
Griekse grootheid (411 R; 447 R); een lang gedicht over de Hoop (415 R); het
wisselvallige lot, ge�llustreerd aan Alexander de Grote (437-438 R). De lijst
is nog niet uitputtend, maar ��n ding is duidelijk: de collectie laat het hele
spectrum zien van vaste, literaire thema's uit de vroege 1e eeuw. Liefde
of alleen een vluggertje Die
indruk wordt nog versterkt en verdiept door de aanwezigheid van epigrammen die
raakvlakken hebben met andere genres. Zo vinden we twee typische
'recusatio'-gedichten, waarin de dichter zegt zich niet te wagen aan een groots
epos, maar zich te beperken tot lichte po�zie (429 R; 431 R). Opmerkelijk is
dan wel weer een reeksje lofdichten waarin de roemvolle expeditie van Claudius
naar Brittanni� van de jaren 43-44 het motief is (419-426 R). Hierin wordt
opnieuw ��n gedachte ('Engeland veroverd') in verschillende pointes
uitgewerkt, zoals: 'de oceaan ligt nu midden in ons rijk', 'wat vroeger grens
was, is nu centrum', 'we hebben een Romeinse Oceaan' of 'twee werelden zijn
thans verbonden'. Zien we hier de verbannen Seneca die zijn strenge keizer
stroop om de mond smeert? Weer
een ander themacomplex is dat van liefde en seksualiteit, dat bijvoorbeeld in de
epigrammen van Martialis zo'n belangrijke rol speelt. En jawel, onze dichter kan
het ook: Jouw
knap gezicht is Bacchus, ja, Apollo waardig! Geen
man, geen vrouw bekijkt het ongestraft... Je
vingers, ach, als van een jongen of een meisje, nee!
een godin in ongerepte jeugd. Gelukkig
zij die jou nu ergens in de nek bijt, gelukkig
zij wier lippen de jouwe beroeren, of
het meisje dat haar borsten aanduwt tegen jouw borst, met
haar tong tekeer gaat in je prille mond.
(430 R) Hier
is een elegisch thema ('dichter jaloers op meisje dat zijn geliefde jongen
inpalmt') beknopt uitgewerkt. Andere elegische thema's zijn bijvoorbeeld: hoop
op wederzijdse liefde (427 R), liefdesgekte waar de dichter trots op is (434 R)
en ontrouw (451 R), en er zijn er nog meer. Een
enkele keer vinden we de voor het genre epigram kenmerkende humor en
obsceniteit: Waarom
toch, schatje, steeds weer uitstel? Waarom
die lange 'schorsing van de zitting'? Want
a) zo lijk je t� ervaren, en
b) het is lastig en bezwaarlijk om
lang met een stijve rond te lopen. En
verder, meisje, is er niets, echt
niets zo lekker als een snelle wip.
(460 R) Iets
meer venijnige, op personen gerichte spot vinden we ook. Bijvoorbeeld een
woordgrap over een vrouw die zich opmaakt en zich zo een gezicht geeft, maar ook
weer afschminkt en zo 'haar gezicht verliest' (436 R). Toch heeft de dichter
nergens de hardheid en scherpte die Martialis na hem weet te bereiken. Pais
en vree Beter
op dreef is hij als hij een wat meer tedere snaar aanslaat, zoals in een
rouwgedicht op een vriend Crispus (445 R), of een charmant versje op zijn broers
Annaeus Novatus en Annaeus Mela en zijn neefje Marcus, in wie we misschien de
later zeer beroemde dichter Marcus Annaeus Lucanus mogen zien: Hopelijk
zullen mijn broers langer leven dan ik en
niets aan mij betreuren dan mijn dood. Hopelijk
win ik van hen in liefde - en zij van mij! en
blijft die liefdeswedstrijd over en weer. Hopelijk
zal Marcus, nu nog lieve babbelaar, ooit
twee ooms in het spreken overtreffen!
(441 R) De
hier uitgesproken hoop is, als het inderdaad om Lucanus gaat, beslist
uitgekomen! In
deze meer rustige sfeer horen ook gedichtjes met de wens van 'teruggetrokken
leven op het platteland'. Dit is een motief dat in de Romeinse letterkunde in
vrijwel alle genres, vooral de po�tische, een verbazend grote rol speelt. We
vinden het in het leerdicht en de epiek, in de elegie van Tibullus, in Seneca's
tragedies, en niet te vergeten in de epigrammen van Petronius en Martialis.2
In deze verzameling gaat het bijvoorbeeld zo: Mijn
lapje grond is klein, en wat het opbrengt weinig, maar
beide geven mij een diepe rust. De
vrede in mijn hart is werkelijk onbezwaard, niet
vatbaar voor kritiek dat ik niets doe. Laat
anderen maar oorlog voeren en besturen, en
meer van dat soort 'grootse' dingen doen. Als
ik maar anoniem mag blijven, buiten het zicht: zolang
ik leef, ben ik dan eigen baas.
(433 R) De
filosofische 'touch' van autarkie en zelfgenoegzaamheid waarmee de
dichter het motief invult, kan aan de aandacht van de lezer moeilijk ontsnappen.
Natuurlijk gaan diens gedachten wel naar Seneca's eigen leven, dat in schril
contrast staat met het hier bezongen en beleden ideaal. Als leraar en adviseur
van Nero was aan Seneca deze stille teruggetrokkenheid, en het 'eigen baas zijn'
allerminst vergund. Wrang in dit verband is ook het onderwerp vive et
amicitias regum fuge: 'leef rustig en vermijd vriendschap met koningen', dat
twee keer wordt uitgewerkt. (407-408 R). Andere
gedichten gaan ook op de gedroomde eenvoud en rust in, met de inmiddels
welbekende neiging tot variaties (440 R; 443-444 R, tegen materi�le luxe). Een
paar van de thema's komen samen in een epigram dat de handschriften aanduiden
als het 'grafdicht van Seneca'. Zorgen,
werk, prestige, eer als dank voor diensten: weg
met jullie, val de rest maar lastig! De
godheid roept me bij jullie vandaan, en zo zeg ik al
het aardse, �n moeder aarde, vaarwel! Mijn
lichaam, hebber, mag je houden, met steen en al: de
hemel geef ik mijn ziel terug, jou mijn botten.
(667 R). Bij
alle conventionaliteit klinkt hier misschien toch iets persoonlijks en oprechts
door, al kan ook hier een kleine pointe niet ontbreken. Maar of Seneca dit nu in
zijn fameuze laatste uren heeft geschreven? Beschaafd
vermaak Daarmee
zijn we terug bij de vraag naar de authenticiteit: hebben we hier met werk van
de historische Seneca te maken? Ik ging al in op enige redenen hieraan te
twijfelen. Het is heel goed voorstelbaar dat mensen later gedichtjes in Seneca's
trant hebben gemaakt en voor echt hebben laten doorgaan. Dat gebeurde in de
oudheid immers ook zo vaak met 'brieven'. Sommige gedichtjes zouden zelfs een
kwalijk licht op Seneca kunnen doen schijnen, zoals de genoemde reeks Brittanni�-epigrammen
en de verzuchtingen over vriendschappen met machtigen. Maar ook de klaaglijke
stukken over Corsica zou Seneca zelf wellicht in portefeuille gehouden hebben. Toch
is dit misschien teveel gedacht vanuit het moderne oordeel en vooroordeel tegen
Seneca. Aan de andere kant is het namelijk juist zeer aannemelijk dat hij ook
het genre van het epigram beoefend heeft. Niet alleen zijn literaire
veelzijdigheid wijst daarop, maar ook zijn maatschappelijke positie. Van een
staatsman als Plinius kennen we ook 'kleine gedichtjes' en we weten het van vele
anderen. Kortom, ook minder begaafde heren vermaakten zich beschaafd met het
schrijven van po�zie. Bovendien, de gedichten zijn misschien niet direct
kandidaten voor de Eregalerij der Wereldliteratuur, maar zwak en bloedeloos
(zoals die van Plinius) zijn ze zeker niet. Het
is als zo vaak: de kwestie is niet met zekerheid uit te maken. In ieder geval
geven de epigrammen van 'Seneca' een aardige, onpretentieuze doorsnee van de
Romeinse literatuur van de keizertijd. Niet alleen in de vaste thema's, maar ook
door de banden met allerlei genres laat de collectie de Romeinse po�zie in een
notedop zien. BIBLIOGRAFISCHE
AANTEKENING De
epigrammen van 'Seneca' zijn te vinden in de Anthologia Latina,
uitgegeven door A. Riese, Leipzig 1894 (2e dr.) (repr. Amsterdam 1964). In de
telling van Riese gaat het om de epigrammen 232, 236-239, 396-463, 667 en 804.
Overigens geven de handschriften (zoals de Leidse Vossianus Latinus Q 86)
slechts bij enkele hiervan expliciet de naam Seneca. De
voor dit artikel gebruikte uitgave is: Lucio Anneo Seneca, Epigrammi,
introduzione e traduzione di Luca Canali, note di Luigi Galasso, testo Latino a
fronte, (Biblioteca Universale Rizzoli, L960) Milano 1994. Recentelijk
zijn ook de epigrammen van Petronius deskundig uitgegeven met handig commentaar:
Edward Courtney, The poems of Petronius, Atlanta, Georgia 1991. Deze
uitgave omvat behalve de verspreide epigrammen ook de gedichtjes uit het Satyricon.
De verspreide epigrammen zijn ook te vinden in de Engelse Loeb-uitgave van
Petronius. Voor een Nederlandse vertaling van enkele van Petronius' epigrammen,
zie: Op de snaren van Apollo, acht eeuwen Latijnse po�zie, samengesteld
en ingeleid door Patrick De Rynck, (Ambo) Baarn 1993, p. 269-273. NOTEN 1.
Ovidius' ballingschap op Tomi is een omstreden onderwerp. Sommige geleerden
zetten grote vraagtekens bij het realisteitsgehalte ervan. Het zou kunnen gaan
om een literair fictie. Zie bijvoorbeeld H. Hofmann, 'Ovidius, of over de
samenhang van leven en werk', in: Hermeneus 61,1989,58-65. Voor Ovidius'
beschrijving van Scythi�, zie bijvoorbeeld Tristia 3,10. Het gedicht is
vertaald door W. Hogendoorn, in: D. den hengst (red.), Van Homerus tot Van
Lennep, Griekse en Latijnse literatuur in Nederlandse vertaling, Lampas -
jubileumnummer (Coutinho) Muiderberg 1992, p.152-157. 2.
Voor de eerste, zie het gedicht parvula securo tegitur mihi culmine sedes
('mijn kleine huis ligt onder een veilig dak') (471 R). Voor de tweede zie
bijvoorbeeld: Martialis, 'Twee gedichten', ingeleid en vertaald door Vincent
Hunink, in: Parmentier 4, 1/2, herfst 1992, p.15-16. BIJ LATIJNSE TEKSTEN (232
R) Omnia
tempus edax depascitur, omnia carpit, Omnia
sede movet, nil sinit esse diu. Flumina
deficiunt, profugum mare litora siccat, Subsidunt
montes et iuga celsa ruunt. Quid
tam parva loquor? moles pulcherrima caeli Ardebit
flammis tota repente suis. Omnia
mors poscit. Lex est, non poena, perire: Hic
aliquo mundus tempore nullus erit. (236
R) Corsica
Phocaico tellus habitata colono, Corsica
quae Graio nomine Cyrnos eras, Corsica
Sardinia brevior, porrectior Ilva, Corsica
piscosis pervia fluminibus, Corsica
terribilis, cum primum incanduit aestas, Saevior,
ostendit cum ferus ora Canis: Parce
relegatis, hoc est: iam parce sepultis. Vivorum
cineri sit tua terra levis! (237
R) Barbara
praeruptis inclusa est Corsica saxis, Horrida,
desertis undique vasta locis. Non
poma autumnus, segetes non educat aestas Canaque
Palladio munere bruma caret. Imbriferum
nullo ver est laetabile fetu Nullaque
in infausto nascitur herba solo. Non
panis, non haustus aquae, non ultimus ignis; Hic
sola haec duo sunt: exul et exilium. (418
R) Nullum
opus exsurgit, quod non annosa vetustas
Expugnet, quod non vertat iniqua dies, Tu
licet extollas magnos ad sidera montes Et
calidas aeques marmore pyramidas. Ingenio
mors nulla iacet, vacat undique tutum; Inlaesum
semper carmina nomen habent. (397
R) Invictum
victis in partibus, omnia Caesar Vincere
qui potuit, te, Cato, non potuit. (398
R) Ictu
non potuit primo Cato solvere vitam: Defecit
tanto vulnere vi(c)ta manus. Altius
inseruit digitos: qua spiritus ingens Exiret,
magnum dexter fecit iter. Opposuit
Fortuna moram [in]voluitque Catonis Sciremus
ferro plus valuisse manum. (399
R) Iussa
manus sacri pectus violasse Catonis Haesit
et inceptum victa reliquit opus. Ille
ait infesto contra sua vulnera vultu: "Estne
aliquid magnum, quod Cato non potuit? Dextera,
me dubitas - durum est - ingulasse Catonem? Sed
<si> liber erit, iam, puto, non dubitas! Fas
non est vivo quemquam servire Catone, Nedum
ipsum: vincit nunc Cato, si moritur". (413
R) Litore
diverso Libyae clarissima longe Nomina
vix ullo condita sunt tumulo, Magnus
et hoc Magno maior Cato. Quam procul a te Aspicis
heu cineres, Roma, iacere tuos! (414
R) Marmoreo
Licinus tumulo iacet, at Cato nullo, Pompeius
parvo. Credimus esse deos? (414a
R) Saxa
premunt Licinum, levat altum fama Catonem, Pompeium
tituli: credimus esse deos. (430
R) O
sacros vultus Baccho vel Apolline dignos, Quos
vir, quos tuto femina nulla videt! O
digitos, quales pueri vel virginis esse Vel
potius credas virginis esse deae. Felix,
si qua tuum conrodit femina collum, Felix,
quae labris livida labra facit, Quaeque
puella tuo cum pectore pectora ponit Et
linguam tenero lassat in ore suam. (433
R) Est
mihi rus parvum, fenus sine crimine parvum; Sed
facit haec nobis utraque magna quies. Pacem
animus nulla trepidus formidine servat Nec
timet ignavae crimina desidiae. Castra
alios operosa vocent, sellaeque curules Et
quicquid vana grandia mente movet. Pars
ego sim plebis, nullo conspectus honore, Dum
vivam, dominus temporis ipse mei. (441
R) Sic
mihi sit frater maiorque minorque superstes Et
de me doleant nil nisi morte mea; Sic
illos vincam, sic vincar rursus amando, Mutuus
inter nos sic bene certet amor; Sic
dulci Marcus qui nunc sermone fritinnit, Facundo
patruos provocet ore duos. (460
R) Cur
differs, mea lux, rogata, semper? Cur
longam petis advocationem? Primum
hoc artificis scelus puellae est, Deinde
est difficile et laboriosum In
tentigine tam diu morari. Nil
est praeterea, puella, nil est Deprensa
melius fututione. (667
R) Cura,
labor, meritum, sumpti pro munere honores, Ite,
alias posthac sollicitate animas. Me
procul a vobis deus evocat. Ilicet actis Rebus
terrenis, hospita terra, vale. Corpus,
avara, tamen sollemnibus accipe saxis: Namque
animam caelo reddimus, ossa tibi.
naar vertaling Seneca latest changes here:
30-07-2012 16:01 |
|
|