close
Naar inhoud springen

Marronmuziek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Marronmuziek
Apintie
Andere namen Afro-Surinaamse muziek
Culturele oorsprong Goudkust en Slavenkust
Populariteit Suriname
Portaal  Portaalicoon   Suriname

Marronmuziek verwijst naar muziek die gemaakt wordt door marrons, van oorsprong gevluchte Afrikaanse slaafgemaakten in Colombia, Jamaica, Mexico, Suriname (en Frans-Guyana), enkele andere Caribische eilanden en in kleine aantallen in de Verenigde Staten. Zij bouwden hier een eigen bestaan op en behielden een deel van hun oorspronkelijke cultuur,[1] met name in Suriname.[2]

Belangrijke elementen uit deze groep muziekstijlen zijn terug te voeren op de regio's waar de voorouders oorspronkelijk vandaan kwamen: de Goudkust (Ghana), de Slavenkust (Benin, Nigeria en Togo), Guinee, Ivoorkust en het Koninkrijk Kongo. Afro-Surinaamse muziek is voor een groot deel verbonden met de winti, waarvan de tradities in Afrika rond de 16e en 17e eeuw allerminst homogeen waren. In Suriname was er geen geschreven taal die hen bond, waardoor cultuur mondeling werd overgeleverd.[2]

Terwijl Afrikanen bij veel gelegenheden muziek maken, kennen marrons er geen speciaal woord voor. Zo wordt op de trommel spelen bijvoorbeeld Ashanti spelen genoemd, waarbij verwezen wordt naar het Ashanti-volk in Ghana.[2]

BERJAYA
De abeng op de vlag van Accompong

De eerste Jamaicaanse marrongemeenschappen ontstonden uit gevluchte Afrikanen en inheemse Taíno's die zich in de bergen van Jamaica hadden teruggetrokken. Nadat de Britten het eiland in 1655 op Spanje hadden veroverd en eigen plantages oprichtten, sloten meer gevluchte Afrikanen zich bij deze vrije gemeenschappen aan. Zij zijn onder te verdelen in de bovenwindse en benedenwindse marrons. Ze vielen de plantages geregeld aan om voedsel en wapens te bemachtigen.[3]

De Jamaicaanse marrons staan bekend om instrumenten als de abeng. Dit is een soort koehoorn waarmee diverse geluiden worden voortgebracht. Deze dienden om boodschappen over te brengen die niet door de Britten werden begrepen.[3]

Een Jamaicaans musicus die veel marronmuziek heeft verzameld, is Kenneth Bilby. In de 20e eeuw bracht hij muziek van diverse artiesten uit op elpee en cd.[4]

Muzikaal erfgoed van de bovenwindse marrons uit Moore Town werd in november 2003 door UNESCO uitgeroepen tot cultureel erfgoed.[5]

BERJAYA
Marrondansers met schudinstrumenten aan de voeten, 2022
BERJAYA Zie ook Afro-Surinaamse muziek voor meer over dit onderwerp

Marrons in Suriname trokken zich meestal stroomopwaarts terug in het regenwoud. De marronstammen in Suriname zijn de Saramaccaners, Aukaners, Aluku, Kwinti, Paramaccaners en Matawai. Ook zij bewaarden oorspronkelijke rituelen en gaven hun boodschappen door met trommels. Ze zochten de plantages steeds weer op om bijvoorbeeld hun tekort aan vrouwen aan te vullen of om voedsel of gereedschappen buit te maken. Daarnaast kwamen in Suriname nieuwe tradities voort, zoals liederen over opstandleiders als Jolicoeur, Baron en Boni.[2]

Veel Afro-Surinaamse muziek hangt samen met de wintireligie. Centraal staan daarin de schepper Anana Kedoeaman Kedoeampon en de afzonderlijke wintigoden Aarde, Water, Bos en Lucht. Elke winti kent ritmes, liederen en dansen met een eigen karakter en kleur, eigen trommels en soms een eigen ensemble.[2] Daarnaast wordt er muziek gemaakt voor vermaak. Muzieksoorten lopen vaak over van de ene uitvoering op de andere.[6]

Bij de meeste muziekstijlen wordt zang, begeleiding en dans met elkaar gecombineerd (zie ook: dans in Suriname).[2] Er wordt door mannen en vrouwen gezongen. Vaak gebeurt dit in mineur en meestal eenstemmig (unisono).[6] De zang kan ook a capella worden ingezet. Begeleiding kan instrumentaal of met handgeklap gebeuren, en ook polyritmisch waardoor verschillende ritmes door elkaar heen lopen. Niettemin is er vaak een leidende trommel: de kotidron of masterdrum. Daarnaast wordt met de clave het basisritme aangegeven en meestal met het schudinstrument sakka het tempo.[2]

Trommelsnijders zijn in principe altijd houtsnijwerkers. De cederhoutsoort tweneboa wordt het meest gebruikt. Allereerst wordt een boom met rituelen omgeven omgehakt. Als een sacrale trom gemaakt is, vindt er een wijding plaats en krijgt het instrument soms een naam. Het bespelen van een trom is voor vrouwen altijd taboe geweest. Marrons in Suriname houden vaak nog vast aan oude taboes, terwijl die in Afrika al doorbroken zijn.[2]

Marronmuziek is in de 21e eeuw een eigen categorie in de Surinaamse Top 40[7][8]