close
Naar inhoud springen

wraak

Uit WikiWoordenboek
  • wraak
  • In de betekenis van ‘vergelding’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord wraak -
verkleinwoord - -

dewraakv/m

  1. het vergelden van doorgemaakt lijden [2]
     Maar dan, op een dag, wordt er een steen geworpen - en of het nu per ongeluk of expres is, die steen raakt de voorruit van de auto van een of andere machtige idioot die wraak wil, of die indruk op zijn minnares wil maken en - zoef - daar komen de voetsoldaten al binnenmarcheren.[3]
  2. voornemen om het doorgemaakte lijden te vergelden aan de veroorzaker
     In veel gevallen was de politiek een dekmantel voor persoonlijke wraak en familievetes.[3]
    • Aan weerskanten brullen kerels als gekken om zichzelf te verdoven, om zichzelf moed te geven. Anderen rennen net als hij, geconcentreerd, de zenuwen in hun buik, met droge keel. Ze stormen allemaal op de vijand af, gewapend met een onherroepelijke woede, een verlangen naar wraak. [4] 
  3. straf
  4. uit koers raken [5]
vervoeging van
wraken

wraak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wraken
    • Ik wraak. 
  2. gebiedende wijs van wraken
    • Wraak! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wraken
    • Wraak je? 
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[6]