close
Naar inhoud springen

stand

Uit WikiWoordenboek

(heteroniem)

  • stand
  • [A] van Middelnederlands stant, in de betekenis van ‘gesteldheid’ aangetroffen vanaf 1343 en in de betekenis van ‘houding’ aangetroffen vanaf 1615 [1] [2] [3]
  • [B] in de betekenis van ‘plaats op een tentoonstelling’ ontleend aan Engels stand en aangetroffen vanaf 1929 [4] [5] [3]
[A] enkelvoud meervoud
naamwoord stand standen
verkleinwoord standje standjes

[A]destandm

  1. hoe of waar iets staat
    • Dat hangt van de stand van de zon af. 
    • Kun je de schakelaar s.v.p. in de stand 'midden' zetten? 
     Aan de stand van de zon te zien gaat haar huwelijksplechtigheid bijna beginnen.[6]
  2. sociale positie in de maatschappij
    • Zulk gedrag past niet bij zijn stand. 
     ' 4 Cynth trouwde met Samuel voor de burgerlijke stand in Wandsworth, in een kleine ruimte die rook naar bureaucratie en goedkoop parfum, met donkergroene muren en ijzeren stoelen.[7]
  3. puntentelling bij een wedstrijd of een aantal cijfers op een paneel (meter)
    • De stand is nu drie-nul voor de Belgische dames. 
  4. berisping (alleen als verkleinwoord) zie: standje
  5. (biologie) grootte van de populatie van een soort in een bepaald gebied
    • De stand van de zeehonden en de zeeschildpadden zullen door die olieramp een geduchte knauw krijgen. 
  6. in stand houden: zorgen dat iets niet verloren gaat
     Ze dacht aan De boomgaard op haar zolderkamer, haar volmaakte, veelkleurige paradijs, en schaamde zich voor haar eigen onwetendheid, voor de vasthoudendheid waarmee ze haar buitenlandse sprookje in stand wilde houden.[7]
  1. register van een overheid waarin de namen van burgers van een bepaald gebied zijn opgeschreven
     Cynth trouwde met Samuel voor de burgerlijke stand in Wandsworth, in een kleine ruimte die rook naar bureaucratie en goedkoop parfum, met donkergroene muren en ijzeren stoelen.[7]
  • tot stand brengen
  • tot stand komen
[B] enkelvoud meervoud
naamwoord stand stands
verkleinwoord standje standjes

[B]destandm

  1. plaats op een tentoonstelling waar producten vertoond worden
    • Hij was vooral nieuwsgierig naar de stand van zijn concurrent. 
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[8]
  • stand

stand

  1. eerste persoon enkelvoud aantonende wijs verleden tijd van stehen
  2. derde persoon enkelvoud aantonende wijs verleden tijd van stehen
enkelvoud meervoud
stand stands

stand

  1. positie, stand [1]
  2. standpunt, stellingname
  3. stelling
  4. (techniek) staander, statief
  5. kraam, stand [6]
  6. podium, tribune
  7. (juridisch), (Amerikaans Engels) getuigenbank
  8. (bosbouw) opstand [2]
vervoeging
onbepaalde wijs to  stand 
he/she/it  stands 
verleden tijd  stood 
voltooid
deelwoord
 stood 
onvoltooid
deelwoord
 standing 
gebiedende wijs  stand 

stand

  1. onovergankelijk (rechtop) staan [1]
  2. onovergankelijk zich ergens bevinden
  3. onovergankelijk stilstaan
  4. onovergankelijk gelden [2], in werking zijn, van kracht zijn
  5. onovergankelijk, (scheepvaart) koersen
  6. overgankelijk rechtop neerzetten/plaatsen
  7. overgankelijk doorstaan, ondergáán
  8. overgankelijk dulden, verdragen
  9. overgankelijk trakteren op