specificiteit
Uiterlijk
- spe·ci·fi·ci·teit
- geen meervoud, afleiding van specifiek met het achtervoegsel -iteit
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | specificiteit | - |
| verkleinwoord | - | - |
- het specifiek zijn
- (medisch) (van een geneeskundige test) het percentage terecht negatieve testuitslagen onder de niet-zieke personen, oftewel de verhouding tussen het aantal terecht negatieve uitslagen (niet ziek, negatieve uitslag) en het totaal van alle gevallen waarbij de ziekte afwezig is waarbij het totaal van alle gevallen waarbij de ziekte afwezig is bestaat uit een som van de gevallen waarbij een foutpositieve uitslag (loos alarm) is verkregen en de gevallen die een terechte negatieve uitslag kregen
1.
- Het woord specificiteit staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
