onevangelisch
Uiterlijk
- on·evan·ge·lisch
- afleiding van evangelisch met het voorvoegsel on-
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | onevangelisch | onevangelischer | |
| verbogen | onevangelische | onevangelischere | |
| partitief | onevangelisch | onevangelischers | - |
onevangelisch [1]
- niet overeenkomend met de leer van het evangelie
- Het woord 'onevangelisch' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.
