close
Naar inhoud springen

lof

Uit WikiWoordenboek
  • lof
  • In de betekenis van ‘het prijzen’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
  • lof; verwant met lief (afkomstig van het Proto-Indo-Europees *leubh- (verzorgen, verlangen, liefhebben)).
enkelvoud meervoud
naamwoord lof
verkleinwoord lofje lofjes

hetlofo

  1. iemand of iets prijzen
     De Lof is dus een religieus boek, maar niet minder een klassiek werk: het is een satire in de trant van Lucianus, van wie Erasmus immers met More enkele dialogen had vertaald - hij noemt hem ook in de begeleidende opdrachtbrief aan More - en staat in de traditie van de klassieke paradoxale of spotlofrede, een lof van dingen die oneervol zijn, zoals de Muizenkikkerstrijd die aan Homerus wordt toegeschreven, of Seneca's Apocolocyntosis, de 'verpompoening' van keizer Claudius.[2]
     Er verschenen prijzende besprekingen van de Voorwaarden: Nicolaus Notabene kreeg de lof dat hij geen 'koppige polemist is die overal kritiek op heeft', hij heeft een 'sprankelend gemoed'.[3]
  2. (groente) afkorting van witlof
  3. (religie) katholieke plechtigheid
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[4]

lof o

  1. lof